XIX SERIE B: MARKANTE KENMERKEN VAN HET PAUSDOM (1)

Pauselijke grootspraak en godslastering


Korte terugblik

Symboliek. Wat de dramatische ‘grote strijd’ hier op aarde betreft, hebben we in de voorgaande hoofdstukken de identiteit kunnen bepalen van de hoofdrolspelers. In ‘de wereld van de symboliek’ waren dat:  1) de draak, 2) het Kind, 3) de vrouw, 4) de overigen van haar nageslacht, 5) de hoer en ten slotte 6) het beest uit de zee.


Historische werkelijkheid. Vervolgens hebben we deze symbolische personages in ‘de wereld van de historische werkelijkheid’ als volgt weten te identificeren: 1) het Romeinse Keizerrijk, 2) Jezus, 3) de kerk, 4) de gelovigen die God trouw blijven, 5) de ontrouw geworden kerk en 6) het pausdom.


Aan het pausdom hebben we uitgebreid en zorgvuldig aandacht besteed. Door dit onderwerp vanuit verschillende invalshoeken te benaderen, kwamen we tot een gefundeerde en verifieerbare conclusie. Er is maar één macht die als de ware opvolger van het West-Romeinse Keizerrijk kan worden aangemerkt, en dat is het pausdom. Dat dit geen vooringenomen conclusie is, wordt nog eens extra bevestigd door het feit we daarbij uit rooms-katholieke bronnen hebben aangetoond dat Rome deze historische ontwikkeling zelf ook claimt.


De reden waarom we zoveel aandacht aan de identiteit van het pausdom schenken, hebben we al eerder vermeld. Uit Openbaring 13.11 blijkt namelijk dat het pausdom (het beest uit de zee) actief zal zijn en blijven tot aan de wederkomst van Jezus, dus inclusief onze tijd. Daarom kunnen we niet zeker genoeg zijn van onze conclusie dat het pausdom inderdaad de historische vervulling is van het beest uit de zee. Om mogelijke twijfel hierover te voorkomen, nemen we nu nog eens extra de proef op de som door in te zoomen op een drietal kenmerken van het pausdom. Uit Openbaring 13 en Daniël 7 kiezen we daarvoor 1) grootspraak en godslastering; 2) het veranderen van ‘tijden en wetten’ en 3) de bloedige vervolgingen van de gelovigen. In dit hoofdstuk staan we stil bij het eerste kenmerk. De andere bespreken we in de twee volgende hoofstukken.


Het eerste markante kenmerk: pauselijke grootspraak en godslastering

Wat het pausdom betreft, vermeldt de Schrift het volgende: “Hij zal een grote mond opzetten tegen de allerhoogste God…”, hij lastert God, draagt godslasterlijke namen en maakt zich ook schuldig aan grootspraak.(1) Deze hoogmoedige en godslasterlijke uitspraken blijken niet alleen betrekking te hebben op spirituele maar ook politieke zaken. Hoogmoed, grootspraak en godslastering liggen in de regel in elkaars verlengde. Talrijke voorbeelden uit de geschiedenis bevestigen dit. We laten hiervan uit katholieke bronnen een selectie volgen, weliswaar beperkt maar daarmee kunnen we volstaan als bewijs van de betrouwbaarheid van het profetische Woord.


A) Grootspraak


1) Dictatus papae (1075). Als eerste voorbeeld van grootspraak kiezen we hier een selectie uit de 27 stellingen van de "Dictatus Papae" (Dictaten van Hildebrand) van paus Gregorius VII (1015 1085). De originele nummering is daarbij vermeld.


2) Dat alleen de Romeinse Pontifex met recht 'universeel' genoemd wordt. 18) Dat geen vonnis dat door hem is uitgesproken door iemand anders kan worden herroepen en hijzelf de enige is die een vonnis kan herroepen. 19) Dat hij door niemand berecht mag worden. 27) Dat hij gelovigen kan ontslaan van hun eed aan slechte mensen.(2)


Over deze stellingen van Gregorius VII zegt professor Southern (Oxford):

Er zijn geen andere woorden te bedenken om de geest van het middeleeuwse pausdom op zo’n onnavolgbare wijze te beschrijven, dan de formulering zoals we die vinden in de verzameling brieven van Gregorius VII. Daarin staan in niet mis te verstane bewoordingen verklaringen over de status van de paus geschreven, waarschijnlijk op aanwijzing van hemzelf.93)


2) Paus Adriaan IV (1154-1159). Zo geeft professor Pijper (Leiden, 1859-1926) het volgende voorbeeld van Pauselijke grootheidswaanzin:


Hoe hoog het uiterlijk aanzien van het pausdom gestegen was blijkt o.a. hieruit, dat Frederik I den stijgbeugel van Adriaan IV [1154-1159] heeft vastgehouden en dat de paus dit als een recht heeft geëischt. Bij de openbare huldiging van Victor IV te Pavia in 1160 hebben keizer Frederik I, vorsten en bisschoppen des pausen voeten gekust, en de keizer heeft zijn stijgbeugel vastgehouden.(4)


Paus Bonifatius VIII (1294-1303) gaf in de bull Unam Sanctam (1302) zijn visie op de absolute pauselijke autoriteit over zowel geestelijke als wereldlijke gezagsdragers:


Wij verklaren, stellen vast en definiëren dat het is noodzakelijk voor de heil van elke menselijke creatie om zich onder het gezag van de paus te onderwerpen.


3) Paus Pius IX (1792-1878). Toen deze paus het dogma van de pauselijke onfeilbaarheid aan het voorbereiden was, had een delegatie van Duitse bisschoppen bepaalde bedenkingen. Historicus Gary Wills vermeldt een incident dat opnieuw blijkt geeft van ongeëvenaarde pauselijke arrogantie:


Een delegatie van Duitse bisschoppen had hem een zorgvuldig voorbereide, vertrouwelijke brief gestuurd waarin zij zijn onfeilbaarheid als zodanig niet aanvocht, maar hem op het hart drukte dat dit het verkeerde moment was om ze officieel af te kondigen. Toen ze in audiëntie ontvangen werden na hun aankomst in Rome, stak de paus hun niet de hand toe om ze te laten kussen maar zijn voet (een favoriet gebaar van Pius tegenover katholieken die hem mishaagden) en ze moesten hem kussen, een voor een.(5)


4) Paus Leo XIII (1878-1903) verkondigde in zijn encycliek Immortale Dei (1885) zelfs de aanmatigende stelling dat pausen heer en meester zijn over het geweten van alle mensen:


De paus is de rechter van het geweten van alle mensen, en niemand mag zonder zijn goedkeuring handelen in belangrijke zaken van het leven.


5) Paus Franciscus (1936-2025). Als laatste wijzen we hier nog op een andere godslasterlijke aanspraak van de pausen. Al sinds de Middeleeuwen pretenderen zij de straf van degenen die in het vagevuur zouden verkeren te kunnen verlichten. Daartoe kunnen de gelovigen aflaten verdienen door aan bepaalde kerkelijke eisen te voldoen, zoals de zegen Urbi et Orbi in ontvangst nemen. Maar ook bij bijzondere gelegenheden, zoals het vrij recente ‘Heilig Jaar’ van 2015-2016. Paus Franciscus bepaalde toen de voorwaarden voor het verkrijgen van een aflaat


Om de aflaat te ervaren en ontvangen, zijn de gelovigen geroepen een korte pelgrimstocht te maken naar de Heilige Deur, in elke kathedraal of in de kerken die zijn aangewezen door de diocesane bisschop, en in de vier pauselijke basilieken in Rome, als een teken van het diepe verlangen naar ware bekering. Evenzo bepaal ik dat de aflaat verkregen kan worden in de heiligdommen waar de Heilige Deur open is en in de kerken die gewoonlijk als Jubileumkerken worden gezien……Verder kan de aflaat van het Heilig Jaar ook verkregen worden voor de overledenen.(6)


Er zouden nog veel meer voorbeelden aangehaald kunnen worden van de soms onvoorstelbare pauselijke grootspraak. Maar met de bovenstaande hebben we al een voldoende indruk daarvan.


B) Godslastering


De pauselijke aanspraken op goddelijke macht gaan bijna vanzelfsprekend over in godslastering. Het alles overtreffende gezag waarop de pausen aanspraak hebben gemaakt, betreft zowel spirituele zaken alsook werelds gezag. Met een dergelijke geestesgesteldheid verheft de paus zich tot een door God zelf aangestelde macht om heerschappij te voeren over alles en iedereen - en daarmee neemt hij in feite de plaats van God zelf in. Het is dan ook niet verbazingwekkend dat de apostel Paulus reeds in een van zijn brieven het volgende vermeldde:


De dag van de Heer breekt niet aan voordat velen zich van het geloof hebben afgekeerd en de wetteloze mens verschenen is, de mens die gedoemd is verloren te gaan. Hij zal alles wat goddelijk en heilig is bestrijden en zich erboven verheffen, om in Gods tempel plaats te nemen op de troon en zich voor te doen als God zelf.97)


We zullen pauselijke godslastering hieronder met een aantal voorbeelden illustreren. Daaruit blijkt dat de bisschoppen van Rome eerst hebben geclaimd Vicarius Petri te zijn, vervolgens Vicarius Christi.


1) Paus Gregorius VII (1073-1085). Kerkhistoricus MacCullogh merkt bij deze paus op dat zijn opvolgers zich een hogere status aanmatigden dan hun voorgangers. Ze zouden


… zichzelf een nieuwe titel [zouden] aanmeten die veelomvattender was dan ‘Stedehouder van Petrus’ en diens ideeën veel krachtiger uitdrukten: ‘Stedehouder van Christus’. De paus was niet langer de opvolger van Petrus, maar Christus’ ambassadeur en vertegenwoordiger op aarde…”(8)


2) Paus Innocentius III (1198-1216). Professor Southern haalt van deze paus de volgende uitspraak aan:


Wij zijn de opvolgers van de Prins der Apostelen, maar we zijn niet zijn stedehouder (plaatsvervanger), noch die van enig andere mens of Apostel, maar de stedehouder van Jezus Christus zelf.(9)


3) Paus Benedictus XIV (1675-1758). In zijn encycliek Ubi Primum (1740) zegt deze paus:


Toen het God voor het eerst behaagde ons te verheffen tot de hoogste zetel van Sint Petrus, vertrouwde Hij ons de macht toe van de Plaatsvervanger van Christus als gouverneur van Zijn universele Kerk…..(10)


4) Pastor Aeternus (1870). De rooms-katholieke opvatting over de verheven status van de paus van Rome heeft door de eeuwen heen standgehouden. Ter bevestiging hiervan citeren we hier vrij uitgebreid uit dit document van het Eerste Vaticaans Concilie:


Steunend op de duidelijke getuigenissen van de heilige schriften en in aansluiting aan de uitdrukkelijke en duidelijke besluiten van onze voorgangers, de roomse pausen, evenals van de oecumenische concilies, vernieuwen wij de beslissingen van het oecumenisch Concilie van Florence, volgens welke alle christengelovigen moeten geloven, "dat de heilige apostolische stoel en de Bisschop van Rome de voorrang bezitten over het hele rond der aarde; voorts, dat deze roomse Bisschop opvolger van de heilige Petrus, de vorst der apostelen, ware plaatsbekleder van Christus, hoofd der gehele Kerk en vader en leraar van alle Christenen is; dat hem door onze Heer Jezus Christus in de heilige Petrus het volledige gezag is gegeven de ganse Kerk te weiden, te regeren en te besturen, zoals dat in de berichten van de handelingen der oecumenische concilies en in de heilige rechtsuitspraken is vervat" Wij leren en verklaren derhalve: De roomse Kerk bezit naar de inzetting van de Heer de voorrang van het gewone gezag over alle andere kerken. Dit gezag van de rechtsbevoegdheid van de Bisschop van Rome, dat werkelijk bisschoppelijk van aard is, is onmiddellijk. Tegenover dit gezag zijn herders en gelovigen van elke ritus en rang, zowel als enkeling als in hun gemeenschap, tot de plicht van hiërarchische ondergeschiktheid en ware gehoorzaamheid gehouden, niet alleen in zaken van geloof en zeden, maar ook waar het de ordening en de regering betreft van de over het ganse rond der aarde verbreide Kerk. Door het bewaren van deze eenheid met de Bisschop van Rome in de gemeenschap en in het belijden van hetzelfde geloof is zo de Kerk van Christus een kudde onder een opperste herder. Dat is de leer van de katholieke waarheid, van welke niemand kan afwijken, zonder schade te lijden aan dit geloof en aan zijn heil.(11)


5) Civiltá Cattolica (1884). Dergelijke aanmatigende taal over de status en het gezag van de paus werd ook door de Jezuïeten gebezigd, maar dan niet alleen binnen de kerk zelf, maar ook over wereldlijke machten:


De Stadhouder van Christus op aarde, de Opperherder aller geloovigen, van vorsten en volken, het zichtbaar Hoofd der heilige Kerk, van de meest uitgestrekte en volmaakste maatschappij der menschen die op aarde bestaat; zoo een kan in waren zin geen onderdaan zijn van wie dan ook.” [De paus is] “boven alle menschenlijke macht verheven: aangezien het zijn recht en plicht is, zelfs de christenvorsten te geleiden en zoo noodig terecht te wijzen… terwijl, van den anderen kant, niemand macht heeft om over hem recht- of meesterschap uit te oefenen. Welnu, deze onafhankelijkheid en volstrekte voorrang maken den Paus tot een waren Souverein. Zijne meerderheid is eenig in de wereld, zij onderscheidt hem van en plaatst hem boven alle stervelingen.(12)


6) Tweede Vaticaans Concilie (1962 -1965). De claim op universeel pauselijk gezag is bepaald niet beperkt tot de Middeleeuwen of de tijd van het Eerste Vaticaans Concilie. Het pauselijk gezag wordt ook in onze tijd nog steeds onverminderd op gelijk niveau geplaatst als dat van Christus. Ook nu nog bevatten officiële rooms-katholieke documenten de claim dat de paus de ‘plaatsbekleder van Christus’ is op aarde.(13)


7) Lucipedia (Katholieke theologische encyclopedie). De aard van de godslasterlijke pauselijke aanspraken uit de Middeleeuwen, en tot hoever die zelfs konden gaan, blijkt ook uit deze bijdrage van Dr. Ton van Eijk aan Lucipedia: ‘Paus en pausschap’:


Het zelfbewustzijn van de pausen in de middeleeuwen is ook zichtbaar in hun titulatuur. Leo I en andere pausen hadden zich in de vijfde eeuw nog plaatsvervanger van Petrus (vicarius Petri) genoem Tot aan de twaalfde eeuw was plaatsbekleder van Christus (vicarius Christi) nog een titel van iedere bisschop en zelfs van priesters; de titel had een sacramentele of iconische betekenis. Maar in het vervolg gaven de pausen (vooral Innocentius III, 1198-1216) er een juridische betekenis aan en reserveerden hem voor de volheid van hun bestuursmacht. Van vicarius Christi kwam het al spoedig tot vicarius Dei. Pausgezinde (papalistische) theologen en canonisten kwamen zelfs tot de uitspraak dat de paus niet zomaar een mens maar in zekere zin (quodammodo) God is, God op aarde (Deus in terris). Vaticanum I heeft dergelijke ultramontaanse uitdrukkingen vermeden.(14)


8) Paus Leo XIII (1894). Desalniettemin werd de godslasterlijke titel Vicarius Dei ook nog ná het Vaticaan I (1870) gebruikt, zoals blijkt uit Praeclara Gratulationis Publicae. In dit oecumenische document geeft deze paus uitdrukking aan zijn wens en verlangen om “een nauweren band te leggen tusschen ons en alle stammen en volken, en den alzijdig heilzamen invloed van het Roomsche pausdom in het volle licht te stellen andere christenen aan te sporen zich bij Rome te voegen. In deze context schroomt hij niet ook deze godslasterlijke uitspraak te doen:


Welnu, wij bekleeden op aarde de plaats van den almachtigen God, die wil, dat alle menschen zalig worden en tot de kennis der waarheid komen.(15)


9) Paus Johannes XXIII (1881-1963). Bij hem zien we een voorbeeld dat de ene godslasterlijke uitspraak leidt tot de andere. Hij verklaarde tijdens zijn kroningsplechtigheid (1958) dat niemand gered kan worden tenzij hij zich onderwerpt aan het gezag en de rol van de paus, in diens rol als ‘plaatsbekleder van Christus op aarde’:


Hij [de paus] is de poort tot de schaapstal. In deze schaapstal van Jezus Christus kan niemand binnenkomen, zo hij niet geleid wordt door de opperherder, en de mensen kunnen alleen zeker er van zijn, het heil deelachtig te worden, indien zij met hem verbonden zijn. De Paus van Rome is immers de plaatsbekleder van Christus op aarde en hij vertegenwoordigt op aarde Diens persoon.(16)


10) Terughoudender geworden: Internationale Theologencommissie (1970). We zagen hierboven dat Rome ten tijde van het Eerste Vaticaans Concilie (1869-1870) zich ervan bewust was geworden dat extreme pauselijke titulatuur zoals Deus in terris (God op aarde) maar beter vermeden kon worden. In onze tijd stelt het Vaticaan zich nóg terughoudender op, geheel in de geest van de oecumenische pogingen om niet-katholieke gelovigen niet af te schrikken, waardoor zij gemakkelijker binnen de invloedsfeer van Rome terug te brengen zijn. Die grotere terughoudendheid is bijvoorbeeld herkenbaar in het advies van de Internationale Theologencommissie betreffende het gebruik van pauselijke titulatuur. Sommige titels worden nu aangeraden, andere ontraden:


De Internationale Theologencommissie heeft in 1970 een advies gegeven inzake de titulatuur van de paus. Aangeraden worden de titels paus, heilige vader, opvolger van Petrus, opperherder en bisschop van Rome. Ontraden worden daarentegen plaatsbekleder van Christus, hoofd van de Kerk en hoogste priester (summus pontifex), omdat ze makkelijk verkeerd kunnen worden verstaan.(17)


Dit advies geeft echter niet het volledige beeld. Volgens Wikipedia luidt de huidige (2024) volledige titulatuur van de paus als volgt:

Bisschop van Rome

Plaatsbekleder van Jezus (Vicarius Christi)

Opvolger van de Prins van de Apostelen (Petrus)

Opperherder van de Universele Kerk (Summus Pontifex Ecclesiae Universalis)

Primaat van Italië

Aartsbisschop en Metropoliet van de Romeinse diocese

Soeverein van het Vaticaan

Dienaar der dienaren Gods (Servus Servorum Dei).


11) Nog steeds godslasterlijk taal. Deze titulatuur uit 2024 oogt weliswaar bescheidener dan voorheen, maar afzien van de titel ‘plaatsbekleder van Christus’ is blijkbaar nog niet aan de orde. Bovendien worden er voor de paus nog steeds onverminderd godslasterlijke aanspreekvormen gebruikt.


“Heilige Vader”. Zo moedigde Johannes Paulus II (1920-2005) de gelovigen zelfs aan hem onder andere aan te spreken als ‘Heilige Vader’. En dat tegen alle duidelijke uitspraken van Jezus in, die deze paus nota bene zelf in dit verband citeerde. De aanspreekvorm in kwestie komt in de Bijbel maar één keer voor en dat is wanneer Jezus voor zijn leerlingen bidt en zich met die woorden tot zijn hemelse Vader richt: “Heilige Vader, bewaar hen door uw naam, de naam die U ook aan Mij gegeven hebt, zodat zij één zijn zoals Wij één zijn.”(18) Om deze godslastering toch te rechtvaardigen, beroept Johannes Paulus zich op een jarenlange traditie. Daarmee gaat hij voorbij aan de berisping die Jezus gaf aan een aantal farizeeën en schriftgeleerden die de tradities van hun voorouders stelden boven het Woord van God. Hoe Jezus daarover dacht, is niet voor tweeërlei uitleg vatbaar: “Zo ontkracht u het woord van God omwille van uw eigen traditie.”(19)


 “Uwe Heiligheid”. Ook dit is nog steeds een gangbare godslasterlijke aanspreekvorm van de paus. Volgens Gods woord is alleen God heilig: “Wie zou U, Heer, niet vereren, uw naam niet prijzen? Want U alleen bent heilig.”(20)


Aanvullende opmerkingen

De ware ‘Plaatsvervanger van Christus’ op aarde. We hebben hierboven aangetoond dat de pauselijke aanspraak ‘plaatvervangers van Christus’ ronduit godslasterlijk is. Toen Jezus aan het einde van zijn aardse loopbaan met zijn leerlingen sprak over zijn terugkeer naar de Vader, waren zij daarover zeer ontdaan. Maar Hij verzekerde hen dat ze niet als wezen zouden achterblijven. Hoewel Hij inderdaad een soort “vicaris” voorspelde in de zin van een ‘plaatsvervanger’ voor zijn lichamelijke aanwezigheid hier op aarde, was daarbij geen sprake van een mens, van een priester, hogepriester, bisschop of paus. De enige “vicaris van Christus” is de Heilige Geest:


Maar dit is de waarheid: het is goed voor jullie dat Ik ga, want als Ik niet ga zal de pleitbezorger niet bij jullie komen, maar als Ik weg ben, zal Ik Hem naar jullie zenden… De Geest van de waarheid zal jullie, wanneer Hij komt, de weg wijzen naar de volle waarheid. Hij zal niet namens zichzelf spreken, maar Hij zal zeggen wat Hij hoort en jullie bekendmaken wat komen gaat. Door jullie bekend te maken wat Hij van Mij heeft, zal Hij Mij eren.(21)


Uit deze woorden blijkt ondubbelzinnig dat niet Petrus de plaatsvervanger van Christus is op aarde – hoeveel minder nog zij die pretenderen zijn ‘opvolgers’ te zijn. De enige ware plaatsvervanger van Christus hier op aarde is “de Geest der waarheid”, door Jezus zelf gezonden. Wanneer een paus zichzelf de plaatsvervanger van Christus noemt en hij gezag claimt over de kerk, in plaats van de Heilige Geest, dan overschrijdt hij grenzen die God heeft gesteld. De claim van Rome dat pausen deze verantwoordelijkheid zou zijn toevertrouwd, is pure aanmatiging en godslasterlijk bovendien.


Schril contrast met Jezus. Hoewel niet elk citaat hierboven van de pausen zelf afkomstig is, hebben velen zich in het verleden wel ernaar gedragen. Alle machtswellust, grootspraak en godslasterlijke arrogantie waarvan het pausdom in het verleden heeft blijkgegeven, vormt een schril contrast met Christus en zijn vermeende ‘plaatsbekleders’. Hun geestesgesteldheid is onherkenbaar in vergelijking met die van Jezus. Hij gaf zijn verheven goddelijke hemelse positie op nam de gestalte aan van een nederige aardse dienaar. In plaats van zich de voeten te laten kussen heeft Hij de voeten van zijn leerlingen gewassen. Hij was het toonbeeld van zelfverloochening, zachtmoedigheid en nederigheid. Hij leerde dat zijn koninkrijk niet van deze wereld is, dat Hij niet is gekomen om te heersen, maar om te dienen. Toch was Hem “alle macht in de hemel en op aarde” gegeven. Op grond daarvan zond Hij zijn discipelen de wereld in om het goede nieuws van Gods koninkrijk te verkondigen aan alle volken - en niet om heerschappij over hen te gaan voeren. In dit alles wijst niets erop dat Petrus zijn ‘plaatsvervanger’ zou moeten worden en nog minder dat hem een exclusieve rol als ‘heerser’ toebedeeld zou zijn. Desalniettemin maken pausen al vanaf de Middeleeuwen er aanspraak op ‘plaatsvervangers’ te zijn, aanvankelijk van Petrus en vervolgens zelfs van Christus.(22)


Vrijwel alle citaten hierboven zijn afkomstig zijn uit betrouwbare en verifieerbare rooms-katholieke bronnen. Ook al zouden er nog talrijke aan kunnen worden toegevoegd, toch hebben we hiermee al voldoende en overtuigende voorbeelden van de ongeëvenaarde pauselijke grootspraak en godslasteringen uit het verleden en tot op heden en - zij het tegenwoordig in gematigder vorm.


volgend hoofdstuk


(1) Daniël 7.8,20,25 en Openbaring 13.1,5-6 1

(2) https://nl.wikipedia.org/wiki/Dictatus_papae

(3) Chatwick, vol.2, p.102 (auteur : R.W. Southern)

(4) Pijper, p.305-306

(5) Wills, p.262

(6) https://rkdocumenten.nl/toondocument/6044-een-aflaat-wordt-verleend-aan-de-gelovigen-bij-gelegenheid van-nl/?systeemnum=6044-6

(7) 2 Tessalonicenzen 2.3,4

(8) Maccullogh, p.346 (cursivering toegevoegd)

(9) Chatwick, vol.2, p.105 (auteur: R.W. Southern) (cursivering toegevoegd

(10) https://www.papalencyclicals.net/ben14/b14ubipr.htm (cursivering toegevoegd)

(11) http://oud.rkdocumenten.nl/rkdocs/index.php?mi=600&doc=116&id=2113 (Cursivering toegevoegd)

(12) La Civiltá Cattolica: ‘Rome’s Bestemming’, (Maastricht,1884), p.10

(13) Zie hiervoor Catechismus van de Katholieke Kerk (1997)

(14) https://www.lucepedia.nl/dossieritem/paus/paus-en-pausschap (cursivering toegevoegd)

(15) https://rkdocumenten.nl/toondocument/1181-praeclara-gratulationis-publicae-nl/?systeemnum=1181-6

(16) https://rkdocumenten.nl/toondocument/3796-venerabiles-fratres-nl/?systeemnum=3796-2

(17) https://www.lucepedia.nl/dossieritem/paus/paus-en-pausschap

(18) Johannes 17.11; vgl. Matteüs 23.9

(19) Zie Matteüs 15.6

(20) Openbaring 15.4

(21) Johannes 16.7,13-14 (cursivering toegevoegd); vergelijk Handelingen 2.33

(22) Filippenzen 2.6-9; Johannes 13.3-5; Matteüs 11.29; Johannes 18.36; Matteüs 20.