XX SERIE B: TWEEDE MARKANTE KENMERK VAN HET PAUSDOM

Veranderen van “hun tijden en hun wet”


In Hoofdstuk XIX is het eerste markante kenmerk van het pausdom aan de orde geweest. We zullen nu stilstaan bij het tweede. In Daniël 7.25 lezen we dat de kleine horen (c.q. het beest uit de zee uit Openbaring 13) erop uit is “hun tijden en hun wet” (NBV21) te veranderen, dat is die van Gods volk. Ter inleiding staan we kort stil bij het begrip “tijden en wet”.


Betekenis “tijden en wet” (Daniël 7.25)

Het Aramees dat aan deze uitdrukking ten grondslag ligt, kan op verschillende manieren naar het Nederlands worden vertaald: “hun tijden en hun wet” (NBV21), “tijden en wet” (NBG51) “bepaalde t ijden en de wet” (HSV 2010) en “feesttijden en de wet” (Willibrord, 2012 en Petrus Canisius, 1948). Welke betekenis ligt nu in deze uitdrukking besloten?


“Tijden”. Hoewel deze verschillende vertalingen van het oorspronkelijke Aramees niet direct een probleem opleveren, zijn er toch wel verschillende nuances in de uitleg hiervan mogelijk. Een aantal Bijbelverklaarders denkt bij “tijden” bijvoorbeeld aan liturgische veranderingen zoals vastendagen en heiligenfeesten. Maar men zou daar tegenin kunnen brengen dat deze “feestdagen” (Willibrord en Canisius) eerder christelijke toevoegingen aan het kerkelijk jaar zijn dan veranderingen. Andere Bijbelverklaarders hebben “tijden” in Daniël 7.25 opgevat als een verwijzing naar profetische tijden, bijvoorbeeld de 1260 dagen (“een tijd, tijden en een halve tijd”). Ook zou men hier kunnen denken aan het historische feit dat de kerk van Rome voor de “tijden” van het paasfeest een andere datum heeft ingevoerd dan die van het oorspronkelijke Bijbelse Pascha.


“Tijden en wet”. Er is echter nog een andere en zelfs plausibeler verklaring mogelijk. Aangezien tijden en wet in deze tekst in een adem worden genoemd, is het aannemelijk dat deze uitdrukking verwijst naar de ‘tijden van werken en rusten’ uit Gods wet. In de Decaloog heeft God de wekelijkse cyclus ingesteld van zes dagen arbeid gevolgd door de zevende, de sabbatdag, als een dag van rust (Exodus 20.8-1; Deuteronomium 5.12-15). De verandering van de sabbat als rustdag naar de zondag kan in dat licht logischerwijze worden gezien als een verandering van de “tijden en wet” die God voor zijn schepselen heeft ingesteld. Omdat het tot stand komen van deze verandering nadrukkelijk door het pauselijke Rome wordt geclaimd, is het theologisch goed verdedigbaar dat dit een vervulling zou zijn van deze profetie. Bovendien sluit deze gedachtegang ook naadloos aan bij het andere kenmerk van de kleine horen, namelijk grootspraak en godslastering (zie Hoofstuk XIX).


Doelstelling van dit hoofdstuk

Wat dit tweede markante kenmerk van het pausdom betreft, hebben we ten eerste het Bijbelse gegeven dat de kleine horen de “tijden en wet” zou veranderen. Dit is in feite al het onweerlegbare bewijs dat het pausdom de eindverantwoordelijke is voor het veranderen van de rustdag.


Ten tweede zijn er van rooms-katholieke zijde talrijke uitspraken gedaan die zonder enige terughoudendheid verklaren dat zij op eigen gezag de sabbat (zaterdag) als rustdag hebben veranderd in de zondag. Het zou daarom overbodig zijn om in dit hoofdstuk nog eens te gaan ‘bewijzen’ dat het pauselijke Rome verantwoordelijk is voor het veranderen van de Bijbelse rustdag.


Wat we wél zullen doen, is in grote lijnen traceren hoe deze verandering tot stand is gekomen. Ook daaruit zou dan moeten blijken dat de claim van Rome terecht is. De geschiedenis laat zien dat deze verandering een lang en ingewikkeld proces is geweest. Daarom zullen we ons binnen het kader van dit hoofdstuk moeten beperken tot het bespreken van slechts enkele van de belangrijkste politieke en theologische factoren die hierbij een rol hebben gespeeld. Voor alle duidelijkheid laten we hier eerst de claim van Rome volgen. De aangehaalde citaten komen van gezaghebbende rooms katholieke personen en uit officiële rooms-katholieke documenten.


Rome’s claim inzake de verandering van sabbat naar zondag

  1. Gij moogt de Bijbel lezen van Genesis tot de Openbaring, gij zult geen enkele gezaghebbende uitspraak vinden die het heiligen van de zondag bevestigt. De Schrift beveelt het godsdienstig onderhouden van de sabbat, een dag die wij nooit heiligen. (Kardinaal-Aartsbisschop James Gibbons, Het geloof onzer vaderen, 1876, blz. 107).(1)
  2. De Bijbel zegt: 'Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt.' De Katholieke Kerk zegt: 'Nee. Door mijn goddelijke kracht schaf ik de sabbatdag af en beveel u de eerste dag van de week te heiligen.' En zie! De gehele beschaafde wereld buigt zich eerbiedig neer in gehoorzaamheid aan het bevel van de heilige Katholieke Kerk. (T. Enright, C.S.S.R., lezing in Hartford, Kansas, 18 februari 1884).
  3. De zondag is de eerste dag der week. De Heilige Kerk heeft in de Nieuwe Wet deze dag aan God zonderling toegewijd, in plaats van de Sabbatdag die, volgens Gods gebod, onder de Oude Wet gevierd werd. Hoewel de tien geboden als natuurwetten onveranderlijk zijn, kon de Heilige Kerk nochtans die verandering doen. (Mgr. Lambrecht, Mechelschen Catechismus, blz. 194).(2)
  4. De katholieke kerk heeft meer dan duizend jaar voordat er een protestant bestond, uit hoofde van haar goddelijke missie, de dag van zaterdag in zondag veranderd. (The Catholic Mirror, Sept. 23, 1893).
  5. Er is maar één kerk op aarde die de macht heeft, of beweert te hebben, om wetten te maken die bindend zijn voor het geweten, bindend voor God, bindend op straffe van het hellevuur. Bijvoorbeeld de instelling van de zondag. Welk recht heeft een andere kerk om deze dag te houden? Jij antwoordt op grond van het derde gebod [het pausdom veranderde het vierde gebod en noemde het het derde], dat zegt: ‘Gedenk, dat gij de sabbatdag heilig houdt’. Maar zondag is niet de sabbat. Elke schooljongen weet dat zondag de eerste dag van de week is.... Het was de heilige katholieke kerk die de rustdag veranderde van zaterdag, de zevende dag, naar zondag, de eerste dag van de week. (T. Enright, C. S. S. R., in een lezing uit 1893).
  6. Vraag: Welke dag is de sabbatdag?                                                                                                                                                                                                                                          Antwoord: Zaterdag is de sabbatdag.                                                                                                                                                                                                                                            Vraag: Waarom vieren we zondag in plaats van zaterdag?                                                                                                                                                                                                    Antwoord: Wij vieren zondag in plaats van zaterdag omdat de katholieke kerk in het Concilie van Laodicea (363 na Christus) de plechtigheid van zaterdag naar zondag heeft verplaatst. (Peter Geiermann, The Convert’s Catechism of Catholic Doctrine, Second Edition, 1910, page 50).
  7. Zondag is een teken van gezag … onze kerk is de Bijbel, en deze beweging van het handhaven van de zaterdagrust op zondag is het bewijs van dat feit. (Catholic Record of London, Ontario, september 1923).
  8. Nergens in de Bijbel vinden we dat Christus of de apostelen bevolen hebben dat de sabbat veranderd moest worden van zaterdag naar zondag. We hebben het gebod van God aan Mozes om de sabbatdag heilig te houden, dat is de zevende dag van de week, zaterdag. Vandaag de dag houden de meeste christenen de zondag, omdat dit aan ons is geopenbaard door de kerk [Roomse] buiten de Bijbel om. (Catholic Virginian, Oct. 3, 1947).
  9. Het was de katholieke kerk die, op gezag van Jezus Christus, deze rust heeft verplaatst naar de zondag ter herinnering aan de opstanding van onze Heer. De viering van de zondag door de protestanten is dus een eerbetoon dat zij, ondanks zichzelf, brengen aan het gezag van de [katholieke] kerk. (MGR. Segur, Plain Talk About the Protestantism of Today, Patrick Donahoe, Boston, 1886, blz. 213).
  10. Maar in het protestantse denken lijkt men zich niet te realiseren dat ze ….. door de zondag te vieren, door Kerstmis en Pasen te houden, het gezag accepteren van de woordvoerder van de kerk, de paus. (Our Sunday Visitor, Feb. 5, 1950).


Ook al is dit slechts een zeer beperkt aantal uitspraken, ze tonen onmiskenbaar aan dat de rooms katholieke kerk er aanspraak op maakt dat zij de zondag als rustdag heeft ingesteld op basis van haar vermeende goddelijke gezag - en niet op basis van een expliciet Bijbels gebod. Behalve dat Rome zich erop laat voorstaan dat zij de wekelijkse rustdag heeft veranderd van sabbat naar zondag, heeft zij ook nog het tweede gebod over beeldendienst weggelaten. Om toch een volledig tiental geboden te behouden, is daarvoor het tiende opgesplitst. Vanzelfsprekend leidt dit vanaf het tweede gebod tot een andere nummering van de tien geboden dan onder protestanten gangbaar is (zie Fig.1).


-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Catechismus

Aanhef: Ik ben de Heer, uw God

1. Gij zult geen afgoden vereren, maar Mij alleen aanbidden en boven alles beminnen.

2. Gij zult de Naam van de Heer, uw God, niet zonder eerbied gebruiken.

3. Wees gedachtig dat gij de dag des Heren heiligt.

4. Eer uw vader en uw moeder.

5. Gij zult niet doden.

6. Gij zult geen onkuisheid doen.

7. Gij zult niet stelen.

8. Gij zult tegen uw naaste niet vals getuigen.

9. Gij zult geen onkuisheid begeren.

10. Gij zult niet onrechtvaardig begeren wat uw naaste toebehoort.

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------

 Fig.1 De Tien Geboden volgens de Room-Katholiek Catechismus (3)


Hoe de verandering van sabbat naar zondag tot stand kwam


A) Eerste tekenen van verandering


Het is een algemeen bekend historisch gegeven dat reeds in de eerste helft van de tweede eeuw de sabbat onder vuur kwam te liggen. De reden daarvoor was dat nieuwe bekeerlingen tot het christendom zich duidelijk van het jodendom wilden onderscheiden. Zo schrijft Ignatius van Antiochië (c.35-c.117) positief over de tot het christendom bekeerde joden omdat zij zich niet langer meer aan het sabbatsgebod hielden maar waren overgegaan tot het vieren van de zondag, “de dag van de Heer”. Uit zijn brief aan de Magnesiërs blijkt dat hun motief daarbij was erkend te worden als “ware leerlingen van Jezus”:


Zij dus die leefden volgens de vroegere heilsorde zijn tot nieuwe hoop gekomen en vierden niet meer de sabbat, maar de dag van de Heer, de dag waarop door de Heer en zijn dood ons leven tot nieuwebloei is gekomen. Dit wordt door sommigen ontkend, maar toch hebben wij door dit mysterie het geloof ontvangen en daarom houden wij stand om eens erkend te worden als ware leerlingen van Jezus Christus, onze enige Meester.(4)


Nu zou men op grond van deze uitspraak van Ignatius en gelijksoortige van enkele andere kerkvaders uit de tweede en derde eeuw kunnen denken dat de wens om de sabbat te vervangen door de zondag vooral afkomstig zou zijn uit het oostelijk deel van het Keizerrijk. Maar kerkhistoricus Bacchiocchi, gespecialiseerd in het sabbat-zondag vraagstuk, is van mening dat het tegenovergestelde eerder het geval is.(5) De christenen van de eerste eeuwen vierden nog altijd op grote schaal de sabbat. Dat de Oosterse kerken waren begonnen naast de sabbat ook de zondag te vieren was in feite een compromis. Zij wilden de sabbat behouden, maar waren wel bereid de nieuwe status van de zondag te aanvaarden. Gezien het feit dat zij de sabbatviering wilden behouden, diskwalificeert hen juist als promotors van de zondagsviering. Het zou immer zeer onlogisch zijn de zondag te promoten ten koste van de sabbat, als je de sabbat juist wilt behouden.


De joodse oorlogen: verdere verwijdering tussen christenen en joden

Door de joodse oorlogen nam de reeds ontstane kloof tussen joden en christenen nog verder toe. Als straf voor de opstand van Bar Kocha tegen het Romeinse gezag (132 tot 135) verbood keizer Hadrianus alles wat met het joodse geloof te maken had, waaronder de sabbat en de besnijdenis.(6) Vanzelfsprekend voelden christenen er niets voor om als een joodse sekte te worden gezien en ook onder de sancties van de Romeinen te vallen. Dus een reden temeer om zich niet alleen religieus maar ook sociaal en cultureel nog nadrukkelijker van de joden te onderscheiden dan al het geval was. Dit alles droeg bij aan het proces dat uiteindelijk resulteerde in het ‘scheiden der wegen’ tussen het christendom en het jodendom.(7) Deze ‘scheiding’ was een van de factoren die ertoe leidde dat met name de christenen in Rome zich steeds verder van de sabbat distantieerden en de zondag daarvoor in de plaats stelden.


B) Opkomende macht van pauselijke Rome

In het beginstadium van het christendom was Jeruzalem het centrum van het kerkelijke leven. Daaraan kwam een einde toen Jeruzalem door de Romeinen met de grond gelijk was gemaakt. Later werd de stad weliswaar herbouwd onder de nieuwe naam Aelia Capitolina, maar toen waren christenen van joodse origine er niet welkom. Van de vroegere rol van Jeruzalem was geen sprake meer. Deze gewijzigde situatie droeg ertoe bij dat het aanzien van de bisschoppen van Rome nog verder toenam dan inmiddels al het geval was. Trouillez vermeldt hierover het volgende:


In Aelia Capitolina is na een tijdje opnieuw een christelijke gemeenschap ontstaan, maar ditmaal van heidens-christelijke origine. De zielsverwantschap met de oerkerk was echter vervluchtigd en daarom voelde men aan dat die lokale Kerk niet langer de rol van moederkerk kon claimen. Die kwam nu als vanzelf toe aan Rome, dat al lang het centrum van een wereldrijk was geworden en als de stad van de martelaren Petrus en Paulus tevens het centrum van de christelijke beweging werd.(8)


In de tweede en derde eeuw had de invloed en het gezag van de bisschop van Rome echter nog niet de reikwijdte van de latere pausen. Over het pauselijke ‘primaatschap’ van de eerste eeuwen zegt Trouillez:


Bisschoppen, theologen en ketters erkenden het bijzondere aanzien van Rome in geloofszaken: zij schreven er brieven naar, gingen er bij twijfels hun licht opsteken of hun zaak bepleiten. Iedereen stemde er dus mee in dat de paus een bijzonder gezag genoot als de behoeder van de apostolische traditie, maar van een formeel jurisdictieprimaat moest men niets weten...... Wanneer ergens hoog oplopende twisten het kerkelijk weefsel dreigden te verrafelen, vond men het volstrekt normaal dat de bisschop van Rome tussenbeide kwam, zich beroepend op wat wij het 'arbitrageprimaat' zouden noemen.(9)


De kerk van Rome blijkt dus al in de tweede eeuw een vooraanstaande positie binnen het christendom te hebben ingenomen. De paus was in feite de enige kerkelijke autoriteit die algemeen werd erkend en in staat was om het grootste deel van het christendom te beïnvloeden om nieuwe gebruiken te aanvaarden, ook al verwierpen sommige kerken soms zijn instructies. In de toekomst zou dat gezag nog veel groter worden en door Rome zelf steeds nadrukkelijker worden geclaimd. Al vrij vroeg kwamen pausen zoals Damasus I (366–384) en Leo I (440–461) met het argument dat de bisschop van Rome de opvolger van Petrus was en daarom bijzondere autoriteit bezat.


C) Rome en vasten op de sabbat

De bisschoppen van Rome zetten hun verworven prestige, invloed en macht steeds krachtiger in om de “tijden en wet” te veranderen. Een effectief middel dat daartoe werd aangewend, was de ‘joodse’ sabbat steeds verder in diskrediet te brengen en op die manier de zondagsheiliging te bevorderen. Onderdeel van het beleid dat ze daarbij voerden, was de sabbat tot een vastendag te maken terwijl die dag voor de joden juist een dag van vreugde was. Zo moest de sabbat een onaantrekkelijke dag worden, terwijl aan de zondag een feestelijk karakter werd verleend.


Justinus de Martelaar (c.100-c.165) en Marcion (c.85-160) waren twee invloedrijke personen, die er veel toe hebben bijgedragen om het vasten op sabbat ingang te doen vinden. Beiden waren actief in Rome. Vooral Marcion had hier een belangrijk aandeel in. Daarbij schroomde hij zelfs niet openlijk te rebelleren tegen God en het sabbatsgebod. Volgens bisschop Epiphanius van Salamis (310-403) droeg Marcion zijn volgelingen op


… om op zaterdag te vasten en rechtvaardigde hij dit op deze manier: Omdat het de rust is van de God van de Joden ... vasten wij op die dag om op die dag niet te volbrengen wat de God voor de Joden heeft verordend.(10)


Situatie begin vierde eeuw. Aan het begin van de vierde eeuw was het in de Oosterse én Westerse kerken nog altijd de gewoonte om zowel de zaterdag als de zondag als een speciale dag te beschouwen. Het wel of niet vasten op sabbat was ook toen nog een kenmerkend verschil tussen Oost en West. Kerkhistoricus F.A. Regan zegt daarover:


Niettegenstaande het feit dat de Kerk van het Oosten de gebruiken van de kerk beschermde tegen valse en misleidende invloeden, zag zij er nauwlettend op toe dat het betonen van de speciale eerbied die verschuldigd was aan zowel de zaterdag (de sabbat) als de Dag des Heren, niet verloren ging. De terechte vraag die men dan ook kan stellen is: Hoe komt het dat de dag die de Kerk van het Westen als vastendag hield, door de Kerk van het Oosten als een feestdag werd gevierd?(11)


Het antwoord laat zich gemakkelijke raden: het ondermijnen van het sabbatsgebod door van de sabbat een vastendag te maken was een zaak van Rome (de Westerse Kerk) en niet van de Oosterse Kerk. Het theologische argument dat door Rome voor het vasten op sabbat was bedacht, was dat Jezus op de sabbat dood in het graf had gelegen en op de zondag was opgestaan. Parellel daaraan moest ‘de sabbat van de dood’ nu plaats maken voor ‘de zondag van het leven’. Om dit negatieve beeld van de sabbat en het positieve beeld van de zondag te rechtvaardigen, volgde Paus Silvester I (314-335) de volgende redenering. 1) De joden verheugden zich op de sabbat over de dood van Jezus. 2) De apostelen daarentegen waren daarover op de sabbat bedroefd. Maar zij verheugden zich over de opstanding van Jezus op eerste dag van de week, de zondag. Dit was de parallel die hij trok:


Op dezelfde wijze zijn wij bedroefd met de bedroefden vanwege de begrafenis van de Heer, zoals we ons met hen willen verheugen op de dag van de opstanding van de Heer. In feite is het niet gepast om, vanwege Joodse gewoonten, voedsel [op de sabbat] te gebruiken... en de ceremonies van de Joden in acht te nemen.(12)


Bovendien paste een feestelijke status van de zondag ook goed binnen het sociale kader van de samenleving van die tijd, omdat deze dag al een bijzonder karakter had vanwege de grote populariteit van de zonnegod. Zo werd een ‘vreugdevolle zondag’ voor heidense bekeerlingen een veel aantrekkelijker rustdag dan een ‘onaantrekkelijke vastensabbat’.


D) Een gekerstende Romeinse staat: zondagsviering krijgt wettelijke status

De tegenstellingen tussen sabbat en zondag waaraan we tot hiertoe aandacht hebben besteed, ontstonden in de 2e en 3e eeuw, toen het Romeinse Rijk nog heidens was. Dat veranderde ingrijpend door de ‘bekering’ van keizer Constantijn, waardoor een geheel nieuw politiek en religieus landschap ontstond. Het Romeinse Rijk raakte niet alleen gekerstend, maar er werden ook heidense gewoonten en gebruiken de kerk binnengebracht. In nog geen driekwart eeuw na de bekering van Constantijn (312) zou de verandering van “tijden en wet” al een feit zijn. We vermelden hier een aantal gebeurtenissen die voor deze verandering van cruciaal belang waren.


1) De zondagswet van Constantijn (321)


Nog geen tien jaar na het Edict van Milaan (313) vaardigde Constantijn de eerste zondagswet uit. Vanaf dat moment was de zondag als rustdag niet langer meer een puur kerkelijke en theologische aangelegenheid, maar had de dag een formele wettelijke status verkregen.


Dit was de eerste in een reeks stappen die Constantijn, en latere christelijke keizers, namen om de zondagsviering te reguleren volgens de nationale burgerlijke wetten. Het is duidelijk dat deze eerste zondagswet niet specifiek ‘christelijk’ was (let op de heidense benaming "eerbiedwaardige Dag van de Zon"). Constantijn probeerde echter, op politieke en sociale gronden, heidense en christelijke elementen van zijn achterban te verenigen door zich te richten op iets wat ze met elkaar gemeen hadden.(13)


In bovenstaand citaat wordt er terecht op gewezen dat de zondag niet de rustdag werd ter ere van of ter nagedachtenis aan de opstandig van Jezus. Enerzijds was het een eerbetoon aan de onverwinnelijke zonnegod (Sol Invictus) die door keizer Aurelius al in 274 AD tot de officiële god van het laat-Romeinse Rijk was uitgeroepen. Anderzijds speelden er ook politieke en sociale belangen een rol, zoals orde en rust in het Rijk. Constantijns motivatie voor deze zondagswet was dus deels politiek/sociaal en deels religieus (heidense zonaanbidding en ‘christelijke’ zondagsrust) gemotiveerd, maar het was nog geen expliciet christelijke wet.


De zondagswet viel zowel bij Constantijns christelijke onderdanen als bij de heidenen in goede aarde. De wet werkte immers in het voordeel van de doelstelling van de bisschop van Rome om de sabbat te vervangen door de zondag. Maar ook bij de heidense burgers van het Rijk was de wet welkom aangezien zij de populaire zonnegod al geruime tijd op deze dag vereerden. Het was zeker geen toeval dat Constantijn in zijn zondagswet spreekt over "de eerbiedwaardige dag van de zon". Deze zondagswet kan dan ook met recht worden gezien als een tactische politiek-religieuze maatregel om beide werelden (heidens en christelijk) tevreden te stellen. De wet ondersteunde de door de kerk van Rome gewenste zondagsrust, gaf de heidenen een dag ter ere van hun ‘onoverwinnelijke god van de zon’ en droeg als zodanig bij aan de door de keizer gewenste sociale orde binnen het Rijk.


Er zijn aanwijzingen dat de bisschoppen van Rome (de latere pausen) een belangrijke rol speelden in het bevorderen van de zondag als rustdag door samenwerking te zoeken met het Romeinse gezag. De bisschop van Rome ten tijde van de zondagswet (waarschijnlijk Sylvester I, 314–335) onderhield goede betrekkingen met Constantijn. Volgens de gezaghebbende kerkhistoricus C.S. Mosna oefende hij invloed op de keizer uit bij het uitvaardigen van zijn zondagswet.(14) Daarom durft hij de stelling aan dat de kerk "aanspraak kan maken op de eer de mens elke zeven dagen een pauze in zijn werk te hebben gegund".(15) Er vanuit gaande dat Mosna’s stelling terecht is, zou dit gegeven kunnen worden beschouwd als een eerste (weliswaar indirect) bewijs voor de traditionele claim van de rooms katholiek kerk dat zij de zondagsviering heeft ingesteld. Eusebius legt in elk geval een duidelijk en direct verband tussen de zondagswet van Constantijn en de zondag, “de dag des Heren”, als verplichte rustdag:


Hij [Constantijn] bepaalde ook dat één dag als een speciale gelegenheid voor gebed moest worden beschouwd: ik bedoel de dag die werkelijk de eerste en belangrijkste van allemaal is, de dag van onze Heer en Verlosser. Deze gezegende prins beval deze dag aan alle klassen van zijn onderdanen aan: het was zijn oprechte wens om de hele mensheid geleidelijk aan te leiden tot de aanbidding van God. Daarom verplichtte hij alle onderdanen van het Romeinse rijk om de dag des Heren te vieren als een rustdag…(16)


Constantijns zondagswet is voor de sabbat-zondag kwestie van groot belang omdat deze de eerste wettelijke ondersteuning biedt voor de zondagsrust waarnaar de christelijke leiders - waaronder vooral de bisschoppen van Rome - al zolang hadden gestreefd. Dat Constantijn hem uitvaardigde ter ere van de Sol Invictus is van hierbij van ondergeschikt belang. Deze wet was een belangrijke factor die de verandering van “tijden en wet” definitief tot stand zou brengen.


2. Het Concilie van Nicea (325)

Deze vergadering werd door Constantijn bijeengeroepen om de eenheid van de gelovigen te bevorderen. Het was de eerste gelegenheid waarbij kerk en staat in een bepaald samenwerkingsverband het religieuze leven van het gekerstende Rijk zouden bepalen. In deze fase had de keizer weliswaar nog de grootste invloed op de agenda en de uitkomst van de besluiten, maar dat zou mettertijd het tegenovergestelde worden. Het belangrijkste document dat tijdens deze vergadering werd geformuleerd was de Geloofsbelijdenis van Nicea. Daarin werd een aantal geloofspunten gedefinieerd waaraan de ‘ware kerk’ (de ‘katholieke kerk’) zich moest houden. Ook de christelijke paasdatum werd definitief vastgesteld. Omdat die voortaan altijd op een zondag viel, vormde dit een extra stimulans bij het promoten van de wekelijkse zondagsrust (waar het paasmysterie middels de heilige mis wordt gevierd).


Anti-joodse bepalingen. Binnen het kader van dit hoofdstuk is het eveneens van belang te vermelden dat door dit Concilie ook aan de relatie tussen christenen en joden beperkingen werden opgelegd die van invloed waren op de sabbat-zondag kwestie. Constantijn had van het Concilie een algemene christelijke kalender voor zijn Rijk geëist. Dat daarin geen plaats meer was voor het vieren van de joodse feesten is kenmerkend voor zijn afkeer van de joodse leefwijze.(17) Een belangrijk argument dat de kerk daarvoor aanvoerde was dat de joden de moordenaars van Christus waren. Daarom moesten ze ook in hun leer en tradities wel dwalen – wat uiteraard werd gebruikt als argument tegen het vieren van de sabbat. Dat werkte de populariteit van de zondagsviering weer in de hand.


Zo profiteerde de kerk door dit Concilie van de samenwerking tussen kerk en staat. Deze keizerlijke maatregel droeg ertoe bij dat de kerk nog gemakkelijker verder afstand kon nemen van joodse gebruiken (met name de sabbat), wat weer bevorderlijk was voor de zondagsrust. Ook de staat profiteerde van deze samenwerking omdat daarmee tevens het draagvlak voor de politieke belangen van keizer werd vergroot. Met dit alles werd de druk op de sabbatvierende christenen om de sabbat op te geven en mee te gaan met de zondagsviering nog groter dan voorheen. Daardoor was dit Concilie de tweede belangrijke factor die de doelstelling van het pausdom “tijden en wet” te veranderen weer een stap dichterbij bracht.


3) Het Concilie van Laodicea (363-364)

Naarmate de tijd voortschreed gingen de kerkelijke en wereldlijke macht steeds meer samenwerken. Zo ging dit Concilie weer een stap verder dan dat van Nicea. De nagestreefde eenheid onder de gelovigen kreeg verder vorm door een aantal gedragsvoorschriften die voor de kerkleden werden vastgelegd. Een van de beslissingen die voor de sabbat-zondag kwestie van cruciaal belang is, was het verbieden van de sabbat (zaterdag) als rustdag en het aanmoedigen (c.q. verplichten) van de zondagsrust. Er werd bepaald dat:


… christenen niet mogen judaïseren door op de sabbat te rusten, op die dag moeten ze werken; ze moeten echter in het bijzonder eerbied betonen aan de dag des Heren, en indien mogelijk op die dag niet werken omdat ze christenen zijn.(18)


Hoewel de kerk van Rome bij dit Concilie niet aanwezig was, had ze toch een aanzienlijke invloed op deze beslissing. Rome was de belangrijkste kerk in het Westen en werd steeds meer als leidend erkend. De zondagsviering werd door de bisschoppen van Rome al sinds de tweede eeuw gepropageerd. Door haar voortrekkersrol oefende ze aanzienlijke invloed uit op andere kerken en tegen de tijd van Laodicea was zondagsviering in het Romeinse rijk al wijdverspreid. De hele teneur van het Concilie weerspiegelde de algemene tendens binnen het christendom om zich te onderscheiden van het jodendom, en dus ook van de sabbat. Canon 29 introduceerde niet zozeer iets nieuws maar formaliseerde wat in de praktijk al op veel plaatsen gebeurde: het ontmoedigen van sabbatsviering en het promoten van de zondag. Al was de directe invloed van de kerk van Rome dus niet bepalend voor Canon 29, ze was wel fundamenteel in de bredere ontwikkeling die ertoe leidde.


Deze Canon wordt terecht beschouwd als van cruciaal belang in de overgang van sabbatsviering naar zondagsviering binnen het christendom. In principe vond op dit Concilie de vervulling plaats van het profetische Woord dat had voorspeld dat het pausdom “tijden en wet” zou veranderen. De doelstelling waarnaar het pauselijke Rome zo onophoudelijk en onvermoeibaar had toegewerkt, was in feite nu bereikt. De door God ingestelde sabbatsrust werd hier door de kerk formeel afgeschaft en de zondagsrust voorgeschreven.


Binnen het tijdsbestek van nog geen halve eeuw had de eerste zondagswet (321) nu de volledige metamorfose ondergaan van een verplichte heidense zondagsrust naar ‘christelijke’ zondagsrust. Na dit Concilie vonden nog twee belangrijke gebeurtenissen plaats die een verdere consolidatie van de verandering van “tijden en wet” waarborgden: het christendom wordt staatsgodsdienst, en een verdere machtstoename van het pausdom, volgend op de val van het West-Romeinse Rijk.


4) Het christendom als staatsgodsdienst (380)

De bisschoppen van Rome hadden geen gelegenheid voorbij laten gaan om invloed uit te oefenen op het religieuze beleid van de staat. Dit blijkt onmiskenbaar uit het feit dat in minder dan zeventig jaar na de bekering van Constantijn (312) het christendom tot de officiële staatsgodsdienst van het Romeinse rijk werd verklaard (Edict van Thessaloniki, 380). Dit vond plaats tijdens de regering van de christelijke keizers Theodosius I, Gratianus en Valentinianus II.(19) De voorgeschreven staatsgodsdienst was conform de leer die op het Concilie van Nicea was vastgelegd. In de praktijk betekende dit dat we voortaan te maken hebben met een rooms-katholiek christelijk Romeins Rijk. Dat dit een gunstig klimaat was waarin de zondag zich nog verder kon ontwikkelen van burgerlijke rustdag tot verplichte religieuze heilige dag, spreekt voor zich. Bijna alle vormen werk en handel werden op die dag nog verder beperkt. Alle kerkelijke beslissingen hadden nu wettelijke kracht. Latere keizerlijke wetten, zoals de Codex Theodosianus (438) en de Codex Justinianus (529 en 534), garandeerden de zondagsrust en faciliteerden de handhaving ervan.


Hoe verder de tijd verstreek, hoe meer de algemene wetgeving een weerspiegeling werd van de wil en wensen van de kerk. Uiteindelijk functioneerde de zondagsrust als teken van trouw aan en eenheid met het pauselijke Rome. Het christendom als staatsgodsdienst bleek voor de rooms katholieke kerk een waardevol instrument te zijn omdat zij daarmee de mogelijkheid en de macht had om de verandering van “tijden en wet” voorgoed te bevestigen.


5) De val van het West-Romeinse Rijk (476): zondagsrust in de Middeleeuwen

Vanaf de Middeleeuwen zijn de pausen bewakers en handhavers van de zondagsrust. Verplichte zondagsrust was geleidelijk aan onderdeel van de katholieke cultuur geworden. De pausen kregen steeds meer grip op de middeleeuwse samenleving en werden daarin gesteund door hun band met de Frankische koningen. Naarmate zij meer macht en invloed verwierven, werden de zondagswetten steeds ‘christelijker’, strikter en dwingender van aard. Het Concilie van Orléans (538), bijvoorbeeld, verbood expliciet landbouw- en handenarbeid op ‘de dag des Heren’ (vergelijk Constantijns zondagswet). De Paenitentiale zijn een verzameling boeteboeken uit de vroege middeleeuwen (500 1000) die boetedoeningen oplegden voor overtredingen van de zondagswetten. Op het 3e Lateraans Concilie (1179) werd opnieuw blijk gegeven van de historische rooms-katholieke jodenhaat in de context van de sabbat-zondag kwestie. Joden werden verordend dat zij apart van christenen moesten gaan wonen, wat weer een voorbeeld was van de reeks (indirecte) anti-sabbat en pro-zondag maatregelen. In de 11e-13e eeuw vond een verdere codificatie van de zondagswetgeving plaats, bijvoorbeeld de Corpus Iuris Canonici (1580-1582). Zo was aan het einde van de Middeleeuwen de zondagsrust volledig ingeburgerd.


Voor het Protestantisme dat daarna opkwam, is deze verandering van “tijden en wet” een erfstuk dat hen gemakkelijk in verlegenheid brengt. De protestantse claim is immers dat zij ‘de Bijbel en de Bijbel alleen’ erkennen als richtsnoer voor het christelijke geloof. Maar hoe men het theologisch ook beredeneert, wendt of keert, het vieren van de zondag als rustdag is en blijft een onmiskenbare erkenning van het gezag van de rooms-katholieke kerk inzake de wekelijkse zondagsrust.


E) Korte terugblik: samenvatting en conclusie

Aan het begin van dit hoofdstuk hebben we aangegeven dat het onze bedoeling was vanuit de kerkgeschiedenis aan te tonen hoe de verandering van “tijden en wet” tot stand is gekomen. Daartoe hebben we uit de enorme hoeveelheid informatie die over dit onderwerp beschikbaar is een kleine maar binnen het kader van dit hoofdstuk zo representatief mogelijke keuze gemaakt.


Uit de geraadpleegde bronnen hebben we kunnen constateren dat de bisschoppen van Rome in de loop der geschiedenis effectief hebben ingespeeld op bestaande politieke en religieuze omstandigheden om hun doel te bereiken. We laten hier een korte samenvatting volgen van de punten die hierboven aan de orde zijn geweest en sluiten dit onderwerp dan af met een conclusie.

Samenvatting

  1.  Rome claimt zelf deze wijziging niet te hebben aangebracht op basis van de Schrift, maar op het Goddelijk gezag dat de kerk van Rome zou bezitten.
  2. Sommige kerkvaders begonnen vroeg in de tweede eeuw de opstanding van Jezus op zondag te benadrukken en deze dag te promoten ten koste van de sabbat. Het feestelijke karakter dat zij aan de zondag toeschreven, sloot goed aan bij de beleving van de Romeinse burgers van die tijd. De kerk van Rome maakte dankbaar gebruik van deze situatie om de overgang van heidense bekeerlingen naar het christendom gemakkelijker en aantrekkelijker te maken.
  3. Mede door de joodse oorlogen waren de joden zeer onpopulair in het Romeinse Rijk. Met name de bisschoppen van Rome voegden daaraan nog een extra argument toe. Zij stelden dat de joden de moordenaars van Christus waren. Dat was het bewijs dat zij dwaalden en hun godsdienst daarom verwerpelijk was. Vanzelfsprekende gold dit ook voor ‘hun’ sabbat, wat weer een reden was ten gunste van de zondag.
  4. Door de ‘bekering’ van keizer Constantijn was de kerstening van het Romeinse Rijk in gang gezet. Om de saamhorigheid in zijn Rijk te bevorderen, vaardigde hij in 321 de allereerste zondagswet uit. Hoewel dit in feite een heidense wet was ter ere van de Onoverwinnelijke Zon, had de kerk van Rome voortaan deze wet als steun in de rug bij het verder promoten van de ‘christelijke’ zondagsrust.
  5. Constantijn riep in 325 het Concilie van Nicea bijeen waar de ‘ware leer’ van de katholieke kerk in een officiële geloofsbelijdenis werd vastgelegd. Tegelijkertijd werden er anti-joodse maatregelen genomen, onder meer ten koste van de sabbat. Ook moest voortaan het jaarlijkse Paasfeest op een zondag worden gevierd, wat weer een stimulerende werking had op het invoeren van de wekelijkse zondagsviering.
  6. Veertig jaar later vond het Concilie van Laodicea (364-365) plaats. Hier werd met betrekking tot de sabbat-zondag kwestie een beslissing van cruciaal belang genomen. Canon 29 van dit Concilie bezegelde de overgang van de heidense zondagsrust naar een ‘christelijke’ zondagsrust. De sabbat (zaterdag) werd gedegradeerd tot een gewone werkdag en de zondag verheven tot wekelijkse rustdag. Hoewel de kerk van Rome niet de directe organisator van dit Concilie was, betekende deze richtlijn niettemin de bekroning van haar eeuwenlange voorbeeldfunctie en theologische argumentatie ten gunste van de zondagsrust. Heel het Concilie weerspiegelde de algemene tendens binnen het christendom om zich te onderscheiden van het jodendom, en dus ook van de sabbat.
  7. De voortgaande kerstening van het Rijk leidde ertoe dat het christendom (conform de formulering van de Geloofsbelijdenis van Nicea) de officiële godsdienst werd van het Romeinse Rijk. Dit vond plaats op het Concilie van Thessaloniki (380). Daardoor werd het voor de bisschoppen van Rome nog makkelijker om invloed uit te oefenen op de wetgeving van de staat, inclusief de zondagswetten. De latere zondagswetten kwamen tot stand in een samenleving die doordrenkt was geraakt van rooms-katholieke christelijke normen.
  8. Na de val van het West-Romeinse Rijk (476) kwam de macht en invloed van het pausdom in de loop van de Middeleeuwen tot een climax. De rooms-katholieke kerk werd zowel de wetgevende als de rechterlijke macht. Dat leidde mede tot een nog verdere verfijning van de zondagswetten die gaandeweg nog strikter en dwingender van aard werden. Dankzij een bewust strategisch beleid van de kerk van Rome was het veranderen van “tijden en wet” uiteindelijk een onmiskenbaar en onomkeerbaar historisch feit geworden.


De specifieke rollen van kerk en staat. Uit al het voorgaande is duidelijk dat de zondagswetten niet alleen door de kerk tot stand zijn gekomen. De kerk profiteerde hierbij van de machtige arm van de staat. Dat was reeds het geval bij Constantijns zondagswet. Naarmate het Rijk werd gekerstend nam de hulp die de kerk van de staat kreeg steeds verder toe. De kerk creëerde het theologische kader voor de zondagsrust, paste morele druk toe en wendde het gezag van de staat aan om de rustdag wettelijk voorgeschreven te krijgen. Daarnaast moedigden kerkleiders vanzelfsprekend wetten aan die de keizers zelf uitvaardigden omwille van de sociale orde of uit morele motieven, waarvan het invoeren van de zondagsrust weer profiteerde.


Conclusie

De Bijbelse voorzegging dat het pausdom ”tijden en wet” zou veranderen en de gelijkluidende claim van Rome hebben we hierboven met behulp van geschiedkundige informatie inderdaad overtuigend kunnen aantonen. Daaruit blijkt dat de betreffende claim van Rome terecht is.



(1)The Faith of Our Fathers: a Plain Exposition and Vindication of the Church Founded by Our Lord Jesus Christ is een boek van aartsbisschop James Gibbons dat in 1876 in Baltimore werd gepubliceerd, dat een van de best verkochte apologetische werken in de Verenigde Staten werd en waarvan in 1980 de 111e druk verscheen.

(2)De Mechelse Catechismus, ook wel bekend als de Beknopte Verklaring van den Mechelschen Catechismus, is een werk van Mgr. Lambrecht. Het is een vertaling of uitleg van de Mechelse catechismus, en is uitgegeven door Vandenhende. Een editie verscheen in 1889. De titel van het boek is Le cathéchisme de Malines.

(3)http://oud.rkdocumenten.nl/rkdocs/index.php?mi=600&doc=688

(4)https://rkdocumenten.nl/toondocument/989-epistula-ad-magnesios-nl/?systeemnum=989-26 (Hoofdstuk xi) [gedateerd c.110 AD]

(5)Samuele Bacchiocchi was de eerste niet-katholiek die een doctorsgraad behaalde aan Pauselijke Universiteit Gregoriana te Rome. Hij promoveerde summa cum laude op zijn proefschrift Van sabbat naar zondag en ontving als erkenning daarvoor een gouden medaille uit de handen van Paus Paulus VI (6)https://nl.wikipedia.org/wiki/Joods-Romeinse_oorlogen#

(7)https://www.biblicalarchaeology.org/reviews/the-fiscus-judaicus-and-the-parting-of-the-ways/

(8)Trouillez, p.53

(9)Trouillez, p.354-355

(10) Epiphanius, Adversus haereses, 42,3,4 (geciteerd in Bacchiocchi, p.187)

(11) Regan, Dies Dominica, p.10 Geciteerd door Bacchiocchi, p.188-189, note 67 (cursivering toegevoegd)

(12) Bacchiocchi, p.194

(13) https://detectingdesign.com/wp/2017/04/20/christians-and-the-sabbath/#Gregory_of_Nyssa_335-394

(14) C.S. Mosna is bekend om zijn grondige kennis van de ontwikkeling van de zondag als rustdag. Hij promoveerde aan de Pontificale Gregoriana Universiteit in Rome op dit onderwerp (Storia della domenica dalle origini fino agli inizi del V secolo). Daarbij kwam tot hij de conclusie dat de zondagsviering niet onmiddellijk in Jeruzalem begon, maar geleidelijk aan in de tweede eeuw ontstond. Naast maatschappelijke en anti-Joodse tendensen vervulde de kerk van Rome hierbij een belangrijke rol. In die context werd de sabbat (zaterdag) theologisch en praktisch ondermijnd en werd de zondag tot een christelijke rustdag. Daarmee wordt impliciet erkend dat de Kerk aanzienlijke invloed heeft uitgeoefend op de officiële verschuiving van sabbat naar zondag.

(15) C.S. Mosna, Storia della Domenica, p.367 (geciteerd door Bacchiocchi, p.312)

(16) https://www.newadvent.org/fathers/25024.htm (Eusebius, “Life of Constantine,” Book IV Chapter XVIII), cursivering toegevoegd

(17) Het is in deze context van het bepalen van de paasdatum dat Constantijn de volgende uitspraak deed: “Laten we niets gemeenschappelijk hebben met de verfoeilijke joodse menigte”, Life of Constantine, Book III, Chapter XVIII Zie https://www.newadvent.org/fathers/25023.htm

(18) https://www.newadvent.org/fathers/3806.htm

(19) De Codex Theodosianus (438) bevat veel van deze wetten; de Codex Justinianus (529) is nog uitgebreider en strenger.