• Home
  • Wat geloven wij
  • Contact
    • Gemeente Terneuzen
    • Gemeente Vlissingen
  • Jeugd
  • Bijbelstudie
  • Gezondheid

H 21


XXI DERDE MARKANTE KENMERK VAN HET PAUSDOM

Vervolging van “de heiligen” tijdens de 1260 jaren


We hebben in de twee voorgaande hoofdstukken al stilgestaan bij twee van de drie markante kenmerken van het pausdom: (1) hoogmoed, die duidelijk blijkt uit hun grootspraak en godslasterlijke taal en (2) rebellie tegen God, die zich heeft gemanifesteerd in het veranderen van de door God ingestelde sabbat als rustdag naar de van oorsprong heidense zondagsrust. In dit hoofdstuk schenken we aandacht aan het 3e markante kenmerk van het pausdom. Daaruit zal nogmaals onmiskenbaar blijken dat dit instituut de vervulling is van het symbolische beest uit de zee. In Openbaring 13.7 lezen we dat dit beest “de heiligen” zal bestrijden en overwinnen.(1)


Inleiding

Bruid van Christus wordt hoer. In de hoofdstukken XVII en XVIII hebben we vastgesteld dat de kerk tot het einde van de derde eeuw weliswaar niet volmaakt was maar toch nog altijd de trouwe bruid van Christus. Echter vanaf het begin van de vierde eeuw, na de ‘bekering’ van keizer Constantijn in 312, raakten kerk en staat in rap tempo met elkaar verstrengeld. Het gevolg was dat de kerk zienderogen ‘verwereldlijkte’ en de voorheen trouwe bruid uiteindelijk een ontrouwe hoer werd.


Rome profileert zich als leidende kerk. In de eerste paar eeuwen was er maar één ‘ware kerk’, de universele ofwel de katholieke kerk. Deze was gebaseerd op de apostolische leer, de Schrift en de vroege geloofsbelijdenissen. Hoewel de bisschop van Rome al vroeg aanzien genoot (als opvolger van Petrus), was er in deze fase nog geen sprake van een sterk gecentraliseerd gezag. De leiding van de kerk berustte bij bisschoppen en synodes. Dat veranderde in de 4e en 5e eeuw, na de bekering van Constantijn. Het patriarchaat van Rome verwierf steeds meer aanzien, gezag en voorrang onder de andere patriarchaten, vooral nadat de kerk in 380 staatskerk was geworden. Ná de val van het West-Romeinse Rijk (476) slaagde de paus erin zich steeds nadrukkelijker te profileren als ‘de leider’ van de christelijke kerk. Zo raakte de eenheid van de kerk steeds meer verbonden met het beleid en gezag van de bisschop van Rome.


Van katholieke kerk naar rooms-katholieke kerk. In de 6e-10e eeuw ontstonden er aanzienlijke verschillen in theologie, liturgie en politiek tussen de kerken in het Oostelijk deel van het Rijk en die in het Westen. Dat leidde tot grote onderlinge spanningen. Uiteindelijk kwamen die tot een climax en verbraken de Oosterse kerken in 1054 de gemeenschap met Rome. Vanaf toen kwam de term rooms-katholiek in beeld om het onderscheid aan te geven tussen de Oosterse kerken en de Westerse kerk. In de hoge en late middeleeuwen (11e -15e eeuw) had de rooms-katholieke kerk zich ontwikkeld tot de dominante kerkelijke en politieke factor in West-Europa. Dat deze ontwikkeling zou leiden tot bloedige vervolgingen, die zouden duren tot en met de tijd van de Hervorming, was alleen nog een kwestie van tijd.


Begin van vervolging door kerk en staat

Criterium voor vervolging. In 325 vond op initiatief en onder leiding van keizer Constantijn het Concilie van Nicea plaats. Daar werd de Geloofsbelijdenis van Nicea vastgesteld als toetssteen van de ‘zuivere leer’. Nadat het christendom de officiële staatsreligie was geworden, gold deze belijdenis als het criterium van de enige ware katholieke kerk. De bisschoppen Damas van Rome en Petrus van Alexandrië gaven daarin het voorbeeld. In deze fase waren het nog vooral de keizers die wetten uitvaardigden die voorschreven hoe met kerkelijke dwalingen moest worden omgegaan. Dat gebeurde in samenspraak met de kerk. Zo werden kerk én staat gezamenlijk de hoedster van de ‘ware orthodoxe leer’. Alle kerkelijke stromingen die daarvan afweken, werden als ketters beschouwd en door kerk en staat ter verantwoording geroepen. Dat dit een ingrijpende en vooral gevaarlijke ontwikkeling was, bleek al spoedig daarna.


De eerste slachtoffers. Bisschop Priscillianus van Ávila en een aantal van zijn medestanders werden in 385 ‘wegens ketterij’ door de wereldlijke overheid terechtgesteld. Hierbij ontstond onenigheid tussen kerk en staat over de vraag wie nu het hoogste disciplinaire gezag had. Paus Siricius en de bisschoppen Ambrosius van Milaan en Martinus van Tours maakten er bezwaar tegen dat de terechtstelling door de wereldlijke overheid had plaatsgevonden en niet door een kerkelijke.(2) De paus was voorstander van een zuiver kerkelijke afhandeling van ketterse zaken. Maar met betrekking tot de Inquisitie zou Rome later, in de middeleeuwen, hierbij een andere procedure volgen. Wat hier dus blijkt, is waartoe het samengaan van kerk en staat al binnen vijf jaar leidde. Wie tot ketter werd verklaard, riskeerde door de overheid te worden terechtgesteld.


Donatisme. Een tweede voorbeeld waarbij kerk en staat betrokken waren, is de bestrijding van het Donatisme (4e-6e eeuw). Keizer Constantijn en kerkvader Augustinus vervulden hierbij een belangrijke rol. Constantijn probeerde eerst verzoening te bewerken maar later liet hij hun eigendommen confisqueren en de leiders verbannen. Augustinus was aanvankelijk een fel tegenstander van samenwerking met de staat bij het bestrijden van ketterij, maar uiteindelijk werd de verleiding daartoe hem toch te groot. Ter rechtvaardiging daarvan beriep hij zich op de woorden van Jezus “dwing hen binnen te komen”.3 Volgens zijn herziene visie zouden deze woorden letterlijk toegepast moeten worden, zo nodig in de vorm van fysiek geweld. Dwang uitoefenen zou juist een uiting zijn van liefde ten opzichte van dwalende gelovigen. Uiteindelijk diende het tot hun eeuwig heil en bovendien werd daarmee tevens voorkomen dat anderen misleid zouden worden en zich van de ware leer zouden afkeren. Maar met zijn beroep op “dwing hen binnen te komen” overschreed Augustinus een gevaarlijke grens en werd hij in feite een voorloper van de middeleeuwse inquisitie.


Omdat de keizer de grootste invloed had bij het samengaan van kerk en staat had het bestrijden van ketterij vaak primair als doel de politieke eenheid van het Rijk te waarborgen. Maar die machtsverhouding veranderde in de loop van de middeleeuwen. Na de val van het West-Romeinse Rijk werd het pausdom in toenemende mate een politiek-religieuze macht. Het document Dictatus papae (1075) van paus Gregorius VII is wel het bekendste voorbeeld daarvan. Het benadrukt dat ook wereldlijke heersers het pauselijke gezag dienen te erkennen. Toen de kerk begon ‘ketters’ te vuur en te zwaard te vervolgen, maakte zij daarbij effectief gebruik van de staat om haar doelstelling te bereiken. Het is tegen de achtergrond van deze ontwikkelingen dat de tijd aanbreekt voor de vervolging van “de heiligen”, zoals beschreven in Openbaring 13.


De “1260 dagen” (4)

De twee-eenheid van een ontrouwe kerk en de staat wordt in Openbaring 17 gesymboliseerd door “de hoer op het beest”. Dit beest hebben we al eerder in deze studie geïdentificeerd als het pauselijke Rome.5 Deze macht zal tijdens de periode van de “1260 dagen” de heiligen bestrijden en hen overwinnen (13.5-7). Deze periode vraagt om nadere aandacht, met name de duur van deze 1260 dagen en de periode waarop ze betrekking hebben.


a) Letterlijk of symbolisch

Symboliek. Bijna alles wat plaatsvindt in de visioenen van Johannes bestaat uit symbolische taal en beelden. Hoewel er theologen zijn die deze periode toch letterlijk willen interpreteren, ligt het voor de hand om ook de 1260 dagen niet letterlijk maar symbolisch op te vatten. Veel Bijbelverklaarders hebben dat in de loop van de kerkgeschiedenis ook gedaan. Volgens hen is bij symbolische t ijdsprofetieën het dag-jaar principe van toepassing. Daarmee wordt bedoeld dat één letterlijke dag in de profetie bij de historische vervulling één kalenderjaar is. De betreffende “1260 dagen” zijn dus géén letterlijke dagen maar1260 kalenderjaren.


Dag-jaar principe. Reeds in de vroege kerkgeschiedenis was het idee van symbolische getallen in principe al bekend. Tertullianus (c.160–225) en Cyprianus (c.200–258) verwezen soms naar profetische dagen als langere perioden, maar ze pasten het dag-jaar principe nog niet direct toe. Joachim van Fiore (1135–1202) legde tijdsprofetieën ook uit als lange historische perioden. Hij wordt beschouwd als de grondlegger van het dag-jaar principe, ook al was hij daarin niet altijd consequent. De Hervormers waren dat wel. Zo zag Maarten Luther (1483–1546) de “tijd, tijden en een halve tijd” ofwel de “1260 dagen” als het tijdperk van de pauselijke macht (vanaf de 6e eeuw). Ook Philipp Melanchthon (1497–1560) en Johann Heinrich Bullinger (1504–1575) pasten deze interpretatie toe bij hun uitleg van de tijdsprofetieën. In de 17e-19e eeuwen sloten talrijke bekende Bijbelverklaarders zoals Sir Isaac Newton, Matthew Henry, Jonathan Edwards, Clarke, de Millerieten en de Adventisten en nog vele anderen, zich bij deze methode aan.(6)


Bijbelse ondersteuning. We dienen ons er echter bewust van te zijn dat betrouwbare interpretatie van de Bijbel niet mag berusten op het gezag van bekende theologen of kerkhervormers. Evenmin op wat in een bepaalde periode de gangbare mening is. We behoren daarvoor een zo deugdelijke mogelijke Bijbelse onderbouwing te hebben. Ter geruststelling kan worden aangetoond dat het dag jaar principe niet uit de lucht is gegrepen. Integendeel, het is door Gods Woord zelf geïntroduceerd. Daarin zijn enkele gebeurtenissen bekend die dienen als voorbeeld van het dag-jaar principe. Het bekendste daarvan is wellicht de 40 dagen waarin de verspieders het land Kanaän verkenden en wat uiteindelijk 40 jaren omzwervingen in de woestijn als gevolg had. God zelf zei: “één jaar voor elke dag”. Precies hetzelfde zegt Hij tegen de profeet Ezechiël: “één jaar voor elke dag”.7 Bij deze twee voorvallen hebben we weliswaar niet te maken met een tijdsprofetie, maar hieruit blijkt wel dat het concept van ‘een dag voor een jaar’ in elk geval past in het Bijbelse wereldbeeld. Zuiver historisch gezien weten we dat het pausdom eeuwenlang een vervolgende macht was. Dit impliceert dat we in elk geval niet met 1260 letterlijke dagen te maken kunnen hebben. De hieronder genoemde Justiniaanse en Adventistische uitleg van de ‘1260 dagen’ als ‘1260 jaren’ vormen met hun begin- en einddata een praktische en plausibele historicistische verklaring van de betreffende profetisch symbolische periode. Dienovereenkomstig zegt het Engelse spreekwoord terecht: “The proof of the pudding is in the eating.”8 We mogen dan ook stellen dat het dag-jaar principe voor de verklaring van de ‘1260 dagen’ niet alleen noodzakelijk is, maar ook gerechtvaardigd en bovendien Bijbels gefundeerd is.


b) Begindatum en einddatum

Nu we er zeker van kunnen zijn dat ‘de 1260 dagen’ letterlijk 1260 jaar zijn, is de volgende vraag: wanneer begonnen en eindigden die? Historicistische Bijbelverklaarders hebben verschillende ideeën daarover. We noemen enkele van de bekendste hiervan.


a.)Geen afgebakende periode. Een aantal historicisten is van mening dat de 1260 jaar niet een strikt afgebakende periode is met een begin- en einddatum. Ze beschouwen deze periode echter wel als betrekking hebbend op de pauselijke overheersing die ‘ergens’ in de middeleeuwen begint en ‘ergens’ in de moderne tijd eindigt.

b) Lateraanse variant (538-1929). Begin 538: De Oostgoten worden uit Rome verdreven, het pausdom kan zich nu (mede dankzij het decreet van Justinianus uit 533) verder ontwikkelen tot de onbetwiste politiek-kerkelijke macht. Einde: door het Lateraans verdrag uit 1929 krijgt de paus soevereiniteit over Vaticaanstad (herstel van verloren politiek gezag).

c) Milleritische variant (508-1798). Begin 508: De Frankische koning Clovis bekeert zich tot het christendom en steunt het katholicisme. Einde 1798: De paus gevangen genomen door de Franse generaal Berthier (het historisch unieke verlies van pauselijk politieke macht: tijdelijk en gedeeltelijk hersteld van 1815-1870).

d) Justiniaanse variant (533-1793). Begin 533: keizer Justinianus erkent de paus bij decreet als “hoofd van alle kerken”. Einde 1793: Franse Revolutie leidde tot radicale afschaffing van christendom en kerk.

e) Uitgebreide Justiniaanse variant (538-1870). Begin 538: zie variant b hierboven. Einde 1870: einde van de Pauselijke Staten, de paus verliest zijn grondgebied aan het koninkrijk Italië (tot Lateraans Verdrag, 1929).

f) Klassieke Adventistische variant (538-1798). Begin 538: zie variant b) hierboven. Einde 1798: Generaal Berthier neemt de paus gevangen (wordt beschouwd als ‘de dodelijke wonde’ van het beest uit de zee, zie Openbaring 13.3,12).


Begindata. We merken hier op dat er sprake is van drie begindata voor de 1260 jaar: 538, 508 en 533. Het grootste verschil is maximaal 30 jaar (508 en 538). Maar bij de twee varianten die tekstgetrouw zijn door zich te houden aan de profetische 1260 dagen is er slechts een minimaal verschil van 5 jaar (Justiniaanse 533 en Adventistische 538).


Einddata. Er worden hierboven vier verschillende einddata genoemd: 1929, 1798, 1793 en 1870. Maar de varianten met 1929 en 1870 negeren het Bijbelse gegeven dat de periode 1260 (symbolische) dagen zou duren. Omdat we een tekstgetrouwe benadering van dit onderwerp voorstaan, besteden we aan deze varianten verder geen aandacht. Dit betekent dat alleen de Justiniaanse (1793) en Adventistische (1798) voor ons relevant zijn


Niet dogmatisch zijn. Overigens dienen we te beseffen dat naast de voornoemde varianten er in de loop van de geschiedenis nog een aanzienlijk aantal andere Bijbelverklaarders is geweest die allen hun eigen invulling aan de 1260 profetische dagen hebben gegeven.(9) Hoewel de verschillen voor hun begin- en einddata talrijk zijn, komt het er niettemin in grote lijnen toch op neer dat de periode begon in de zesde of vroege zevende eeuw, wat bij benadering ook het begin was van de middeleeuwse pauselijke overheersing en vervolging van ketterse personen en groeperingen. Gezien de vele verklaringen is het raadzaam niet al te dogmatisch te zijn over de exacte begin- en einddata.


Overtuigende overeenkomst. Ondanks alle verschillen in begin- en einddata is er één belangrijke overeenkomst. De ‘1260 dagen’ worden in alle gevallen geïnterpreteerd als het middeleeuwse t ijdperk van pauselijke overheersing en vervolging. Lichte voorkeur. Ook al zijn historicistische Bijbelverklaarders dus niet eenstemmig over wat de precieze begin- en einddata van de 1260 jaar zijn, toch lijkt de adventistische variant (538-1798) de voorkeur te verdienen- en wel om de volgende redenen: -Ten eerste: de begindatum van 538. Deze datum is een redelijke keuze: de Oostgoten worden dan uit Rome verdreven. Het decreet van Justinianus uit 533 kan nu effectief in werking treden, waardoor pauselijke overheersing een realiteit kan worden. Dit is een feitelijk historisch gegeven. -Ten tweede: de einddatum van 1798. Ook de keuze voor dit jaar als einddatum is goed verdedigbaar aangezien paus Pius VI toen gedwongen werd afstand te doen van zijn wereldlijke macht. Daarmee kwam een einde aan de politieke pauselijke dominantie gedurende de 1260 jaren. Verder vinden we in Openbaring 13 nog een opmerkelijke tekst: “Als iemand in gevangenschap voert, die gaat zelf in gevangenschap. Als iemand met het zwaar doodt, die moet zelf met het zwaard gedood worden.” (vs10, HSV). Deze tekst werd in principe vervuld toen Pius VI in 1798 zelf gevangen werd genomen en gedoemd was in gevangenschap te sterven. Al werd deze paus niet letterlijk met het zwaard gedood, we kunnen hem in zekere zin wel beschouwen als een symbool van ‘het pausdom’ dat zelf door een vijandelijke macht in gevangenschap werd gevoerd. Deze ingrijpende historische gebeurtenis luidde het definitieve einde in van het tijdperk van de 1260 jaren van pauselijk opperheerschappij waarin de vervolging van “de heiligen” plaatsvond. Met deze ‘dodelijke wonde’ was de rol van het beest uit de zee uit Openbaring 13.3 in elk geval voorlopig uitgespeeld. Wat betreft de Justiniaanse en Adventistische varianten, laat kerkhistoricus Froom zien hoe de respectievelijke begin- en einddatum van de 1260 jaren samengevoegd in feite een harmonische combinatie vormen. In 533 werd het opmerkelijke decreet van Justinianus aangenomen dat de suprematie van de paus erkende. Justinianus was een machtige aanhanger van de paus uit de zesde eeuw. En in het voorjaar van 538 werd door een beslissende slag van het Romeinse zwaard de weg in Rome vrijgemaakt voor een nieuwe orde van pausen en brak het begin aan van een nieuw tijdperk. In 1793, slechts 1260 jaar na de keizerlijke goedkeuring uit 533, kwam het opmerkelijke decreet van Frankrijk, eens de machtige aanhanger van het pausdom – de oudste zoon van de kerk. Dat decreet beoogde de afschaffing van kerk en religie, en hun onheilige verbondenheid met de staat. Dit werd in 1798 gevolgd door de beslissende veldslag te Rome, die de val van het pausdom betekende en het einde markeerde van het tijdperk dat 1260 jaar eerder was begonnen.10 Froom lijkt de Justiniaanse variant ook aannemelijk te vinden maar toch een lichte voorkeur te hebben voor de Adventistische (538-1798). Nu we de duur van de 1260 symbolische dagen hebben kunnen vaststellen alsook (bij benadering) de begin- en einddatum, kunnen we nader ingaan op de wijze waarop het pausdom binnen deze periode “de heiligen” zou bestrijden en overwinnen (13.7). De Inquisitie: voorgeschiedenis De vroege kerkvaders en hun tijdgenoten waren soms zelf slachtoffers van wrede vervolging door het heidense Romeinse Rijk. Zij begrepen maar al goed dat geloof en dwang (vervolging) niet samen kúnnen gaan. Een van hen, Lactantius (240-320), heeft dit in zijn Goddelijke onderrichtingen (Divinae Institutiones) treffend verwoord: 10 Froom Vol.II, p.763-764 (nadruk toegevoegd) Religie is een kwestie van de wil en kan aan niemand worden opgedrongen; in deze is het beter woorden te gebruiken dan slagen. Welk nut heeft wreedheid? Wat heeft de pijnbank met vroomheid te maken? Er is geen enkel verband tussen waarheid en geweld, tussen rechtvaardigheid en wreedheid. Zeker, niets is belangrijker dan religie en die moet tegen elke prijs worden verdedigd. Vanzelfsprekend moet ze worden beschermd, maar dan door ervoor te sterven, niet door anderen te doden; door geduldig te volharden, niet door geweld; door geloof, niet door misdaad. Godsdienst willen verdedigen met martelen en bloed vergieten is geen verdediging, maar ontheiliging en belediging….. De juiste manier om religie te verdedigen is door standvastigheid of door de dood; op deze wijze het geloof behouden, is God Zelf welgevallig en het verleent groter aanzien aan religie.11 Maar al vanaf de tijd dat de kerk tot Staatskerk (380) werd verheven, werd ze intolerant. Binnen vijf jaar is de executie van Priscillianus (385) reeds het eerste voorval van vervolging. De kerk, voorheen zelf slachtoffer van vervolging, was nu als staatskerk zelf betrokken bij het vervolgen van kerkelijke en politieke dissidenten. Toen er in 447 een opleving van het Priscillianisme dreigde, greep paus Leo I (c. 400 – 461) persoonlijk hard in. Hij verdedigde niet alleen het beleid van destijds, maar was tevens van mening dat volgelingen van zulke vervloekte ketterij uit de weg geruimd moesten worden. Zo niet, dan zou dat het einde betekenen van alle menselijke en Goddelijk wetten. In zijn visie was het de heilige plicht van de kerk om ketterij tegen elke prijs de kop in te drukken.12 Vanuit die instelling was het nog maar een kleine stap naar verdere ingrijpende maatregelen. Na de val van Rome (476) kreeg het pausdom de gelegenheid om zowel haar wereldlijke als geestelijke macht uit te breiden – een kans die het met beide handen aangreep. Al snel groeide de overtuiging dat God met de staat in een krachtig middel had voorzien om de leer zuiver te houden. Bij dit samenwerkingsverband veinsde de kerk dat de staat de verantwoordelijkheid droeg voor het toepassen van de zware straffen die op ketterij stonden. Het was dus niet de kerk maar de staat die bloed aan haar handen had. De werkelijkheid was echter anders. Zodra de kerkelijke autoriteiten meenden dat de staat in haar rol tekort schoot, spraken zij hen wel daarop aan. Paus Pelagius I (c.500-561) ging zelfs ooit zover dat hij generaal Narses (487-566) voorhield dat het voorkómen of straffen van ketterij niet gelijk stond aan vervolging, maar juist een uiting was van liefde. Daarmee had de kerk een rampzalige koers ingezet. De bestrijding van ketterij werd vanaf deze tijd niet alleen frequenter maar ook veel meedogenlozer. Vervolging: een politieke en religieuze ‘noodzaak’. Aanvankelijk was ‘een inquisitie’ een gewone gerechtelijke procedure. Maar aan het einde van de 12e en begin 13e eeuw werd onder ‘inquisitie’ een gezaghebbend rooms-katholiek orgaan verstaan dat als taak had vermeende ketters op te sporen en te berechten. Volgens de katholieke New Advent encyclopedie was de reden daarvoor dat ketterij zodanig was toegenomen dat men het een wezenlijk gevaar voor christelijk Europa ging vinden.13 Daarom begon men de Inquisitie te beschouwen als een politieke noodzaak. Maar behalve politieke noodzaak was er ook sprake van religieuze noodzaak: het ‘behoud van zielen’. Volgens de leer van de kerk kon niemand behouden worden als hij zich niet hield aan ‘het ware geloof’. Beide aspecten vielen onder de verantwoordelijkheid van de Inquisitie. De Inquisitie ten tijde van de pauselijke overheersing van 1260 jaren Identificatie van ‘ketters’: de Schrift en Traditie. Het pausdom hanteerde Schrift én de Traditie als criterium bij het vaststellen van ‘ketterij’. De ware gelovige werd geacht beide te aanvaarden als ‘de waarheid’ zoals die door de kerk werd geleerd. Ketters aanvaardden echter alleen die aspecten 11 https://www.newadvent.org/fathers/07015.htm (Divine Institutes, Book V (Of Justice), Chapter 20. Of the Vanity and Crimes, Impious Superstitions, and of the Tortures of the Christians.) 12 https://en.wikisource.org/wiki/Page:Catholic_Encyclopedia,_volume_8.djvu/56 13 https://www.newadvent.org/cathen/08026a.htm (The inquisition of the Middle Ages) ervan die hun eigen goedkeuring wegdroegen.14 Maar aan ‘de waarheid’ schortte het bij de Traditie nogal eens. In de loop der eeuwen waren namelijk grote aantallen christenen van heidense oorsprong tot de kerk toegetreden. Zij hadden ideeën uit hun heidense achtergrond meegebracht die ertoe hadden geleid dat de Traditie op een aantal belangrijke punten niet meer in overeenstemming was met de Schrift. Professor H. Berkhof besteedt in zijn Geschiedenis der Kerk terecht aandacht aan deze gevaarlijke ontwikkeling. Het volgende citaat verwijst weliswaar naar het Concilie van Trente (1545-1563) maar de Traditie vervulde al lang daarvoor een belangrijke rol: Trente leerde, dat de Schrift en de kerkelijke overlevering twee gelijkwaardige bronnen van goddelijk gezag zijn….. Dat was een beslissing van enorme draagwijdte. Want een tweede gezag naast de Schrift beteekent practisch een nieuw gezag boven de Schrift. De Schrift is dan een doode en onduidelijke letter, die door de levende traditie der kerk moet worden uitgelegd. De kerk bepaalt de exegese van de bijbel.15 Verloochening van de leer van Jezus. Het hele beleid van het pausdom ten aanzien van ketterij was een rechtstreekse verloochening van de leer van Jezus. Toen de joodse leiders Jezus in Getsemane gevangen lieten nemen, trok Petrus zijn zwaard om Hem te verdedigen. Maar Jezus wees alle geweld af, zelfs toen zijn eigen leven op het spel stond. Daarom zei Hij tegen Petrus: “Steek je zwaard terug op zijn plaats. Want wie naar het zwaard grijpt, zal door het zwaard omkomen.”16 Wat een schrijnende tegenstelling met het misdadige geweld dat door de Inquisitie werd aangewend om de in hun ogen dwalende gelovigen te folteren, met de dood te bestraffen, of beide. Daders en slachtoffers a) Daders: Episcopale en Pauselijke Inquisitie17 De Inquisitie aanvankelijk niet één instituut, maar een reeks van kerkelijke rechtbanken die in het leven werden geroepen door de rooms-katholieke kerk. De eerste formele organisatie vond plaats in de 12e en 13e eeuw. We kunnen hierbij twee fasen onderscheiden waarbij een drietal pausen een prominente rol vervulden. -Episcopale Inquisitie (1184-1233). In 1157 werd tijdens het Concilie van Reims voor het eerst opgeroepen tot de vervolging van ketters. Enkele decennia daarna werd de Episcopale Inquisitie door Paus Lucius III (1097-1185) ingesteld. Na het Concilie van Verona (1184) vaardigde hij zijn bul Ad abolendam uit (“Met het doel af te schaffen”).18 Daarin gaf hij de bisschoppen opdracht om in hun bisdommen een ‘gerechtelijk onderzoek’ (inquisitie) naar ketterij in te stellen. Daarbij had hij vooral de Katharen en Waldenzen op het oog. Deze bul markeerde het begin van de activiteiten van de Inquisitie. Alle ketterse sekten en personen die zonder toestemming van de rooms-katholieke kerk predikten, zowel in het openbaar als in besloten kring, werden veroordeeld en geëxcommuniceerd. Wie van ketterij werd beschuldigd en het tegendeel niet kon bewijzen - of later terugviel in zijn dwalingen - werd overgedragen aan de lekenautoriteiten om zijn gepaste straf’ te ontvangen. Ook iedereen die ketters of ketterij op een of andere manier steunde, beschermde of verdedigde, wachtte strenge strafmaatregelen. Hij kon bijvoorbeeld geen openbaar ambt meer bekleden, verloor het recht op een proces, het recht om een testament op te stellen en dergelijke. Deze maatregelen werden door het Vierde Lateraanse Concilie (1215) nog eens bekrachtigd. 14 Zie https://www.newadvent.org/cathen/07256b.htm#REF_XIII (cursivering toegevoegd) 15 Berkhof, p.129-130 16 Matteüs 26.52 17 Behalve de Episcopale en Pauselijke Inquisities was er ook de Spaanse Inquisitie (1478-1834) met als belangrijke doel afvallige joden opsporen en berechten, en de Romeinse inquisitie (1542-1965), vooral gericht tegen protestanten. Zie o.a. https://nl.wikipedia.org/wiki/Inquisitie 18 https://nl.wikipedia.org/wiki/Ad_abolendam -Pauselijke Inquisitie (1233-1772). Deze bisschoppelijke Inquisities bleken echter niet goed te werken, mede omdat niet alle bisschoppen hieraan gehoor gaven. Daarom namen de pausen zelf steeds meer de leiding bij het opsporen van ketters. Dat resulteerde in 13e eeuw in de Pauselijke Inquisitie (1233). De drijvende kracht hierachter was Paus Gregorius IX (1170-1241). Voortaan was het opsporen van ketterij de taak van een specifieke groep geestelijken die onder direct toezicht van de paus al hun beschikbare tijd daaraan konden besteden. Het waren vooral de Dominicanen en Franciscanen die zich hiermee een twijfelachtige reputatie verwierven. Het bestrijden van vermeende ketterij werd steeds wreder en intensiever. Met goedkeuring van paus Innocentius IV (1195-1254) mochten vanaf 1252 de inquisiteurs zelfs hun handlangers (leken) toestemming geven om van ketterij verdachte personen te martelen.19 Uit deze beknopte schets blijkt al met hoeveel ijver het middeleeuwse pausdom vanuit haar verworven machtspositie de strijd aanging met iedereen die zich tegen de pauselijke dwalingen en fundamenteel onchristelijke praktijken verzette, of zelf maar afzijdig hield. Het bevestigt tevens dat het beest (c.q. het pausdom) in de periode van de 1260 jaar de strijd met “de heiligen” aanbond om hen te overwinnen. b) Slachtoffers: individuen en gemeenschappen -Individuele slachtoffers. Voordat we aandacht schenken aan verschillende Bijbelgetrouwe geloofsgemeenschappen vermelden we eerst enkele bekende invloedrijke personen die door het pausdom als ketters werden veroordeeld en dan zwaar werden gestraft of zelfs geëxecuteerd. Hun straffen illustreren hoe meedogenloos het pausdom optrad tegen afwijkende denkbeelden. 1. Pierre Abelard (1079–1142), invloedrijke filosoof en theoloog. Niet geëxecuteerd, maar verbannen naar een klooster 2. Johannes Hus (ca. 1369–1415), Boheemse theoloog en hervormer, op het Concilie van Konstanz veroordeeld tot de brandstapel. 3. Savonarola (1452-1498), een (naar verluidt vrij excentrieke) Italiaanse monnik die o.a. bekend werd om zijn oproepen tot christelijke vernieuwing. Hij verzette zich tegen Paus Alexander VI, werd geëxcommuniceerd en in 1498 samen met drie andere monniken opgehangen en verbrand.20 4. William Tyndale (ca. 1494–1536), vertaalde de Bijbel in het Engels, gewurgd terwijl hij vastgebonden op de brandstapel stond om te worden verbrand. 5. Maarten Luther (1483-1546) monnik, theoloog en kerkhervormer, veroordeeld, verbannen, vogelvrij verklaard, maar een natuurlijke dood gestorven. 6. Giordano Bruno (1548–1600), filosoof, astronoom en wiskundige. Na een jarenlang proces in Rome veroordeeld tot de brandstapel. Deze personen waren leidende figuren, vaak kritische denkers, hervormers of gelovigen die de autoriteit van de kerk en bepaalde aspecten van het katholieke geloof betwistten. Zij werden slachtoffers van de pauselijke Inquisitie omdat ze werden beschouwd als een bedreiging voor de gevestigde orde van de katholieke kerk. Hun vervolging moest ertoe bijdragen dat de kerkelijke eenheid en controle zou worden gehandhaafd. Of deze slachtoffers allemaal behoorden tot ‘het trouwe nageslacht van de vrouw’ laten we hier in het midden. Maar hun lot bevestigt nog eens temeer de onchristelijke aard en handelwijze van het middeleeuwse pausdom. Hen was er alles aan gelegen iedereen te laten buigen voor het gezag van een corrupte kerk, die in de Openbaring terecht wordt verbeeld door een symbolische hoer. 19 Bul: Ad extirpanda (1252) 20 https://en.wikipedia.org/wiki/Girolamo_Savonarola -Geloofsgemeenschappen. Vervolging door de Inquisitie is een enorm omvangrijk onderwerp. Maar de enkele voorbeelden die we in dit hoofdstuk aanhalen, dienen ertoe de betrouwbaarheid van het profetische Woord aan te tonen. Volgens Openbaring zou de symbolische beest/hoer combinatie (het pausdom) tijdens de 1260 profetische dagen de heiligen de oorlog verklaren en hen overwinnen (13.7; 17.3,6). De geschiedenis levert het onomstotelijke bewijs dat dit de ervaring is geweest van een aantal geloofsgemeenschappen die zich niet wilden conformeren aan het gezag en de dwaalleer van het corrupte middeleeuwse pausdom. Dat deze geloofsgemeenschappen zelf ook niet helemaal vrij waren van bepaalde dwalingen doet niets af van hun oprechte streven om naar Gods Woord te willen leven. We mogen hierbij ook niet vergeten zij zich te midden van een (in naam) christelijke samenleving bevonden die in velerlei opzichten corrupt was geraakt. Juist dat was de reden dat zij ernaar streefden zich naar beste weten en kunnen te houden aan “de geboden van God en het getuigenis van Jezus”. De morele moed om trouw te blijven aan de Schrift en daarin te volharden ‘tot in de dood’ dwingt diep respect af. Ongetwijfeld zullen de beloften van de Mensenzoon dat “wie standhoudt tot het einde, zal worden gered” en “wie overwint vallen deze dingen toe” (d.i. Gods nieuwe schepping) 21 hen de nodige kracht en moed hebben gegeven om niet te buigen voor het brute pauselijke geweld waarvan zij middels de Inquisitie het slachtoffer waren. Hier volgen enkele van de bekendste voorbeelden. 1. De Waldenzen: In de 12e eeuw vond onder deze zeer oude christelijke beweging een krachtige opleving plaats, geïnspireerd door Petrus Waldo (Lyon). Daartegen kwam vanuit Rome zoveel weerstand dat hij in 1184 door paus Lucius III in de ban werd gedaan en zijn beweging als ketterij bestempeld. Een deel daarvan nam zijn toevlucht tot de Waldenzen-dalen in Italië. De beweging werd afgeschilderd als een geestelijk én maatschappelijk gevaar. Dat ‘rechtvaardigde’ de hevige vervolging door het pausdom dat de staat gebruikte om deze ‘vijanden van het geloof’ te bestrijden. Dat kwam enkele eeuwen later tot een pijnlijk dieptepunt bij de infame slachting van het Piëmontese Pasen (1655). Daarbij werden 4.000 tot 6.000 burgers door de overheid afgeslacht. De kerk was hier de vervolgende instantie, maar de staat de uitvoerende macht. Zo ‘ontliep’ de kerk de directe verantwoordelijkheid ervoor. 2. Katharen/Albigenzen: Veel aanhangers van de Katharen bevonden zich in de Franse stad Albi. Daarom worden ze ook vaak Albigenzen genoemd. Ook zij werden door het pausdom zwaar vervolgd. Met betrekking tot deze beweging is met name het Bloedbad van Béziers bekend. In 1209 werd onder leiding van abt Arnaud Amaury (abt van de Abdij van Citaux, en legaat van paus Innocentius III) de stad aangevallen en platgebrand. Volgens voorzichtige schattingen telde de stad minstens 10.000 mensen. Nadat de bisschop en enkele andere katholieken de stad hadden verlaten zou de pauselijke gezant bevolen hebben ze allemaal af te slachten omdat God toch wel de zijnen zou kennen. Deze uitspraak laat nog eens duidelijk de meedogenloosheid zien waarmee de Katharen door de het pausdom werden uitgeroeid.22 3. Hugenoten. De wortels van deze religieuze groepering lijken terug te gaan tot het ‘ketterse’ geloof van de Katharen. In het midden van de 16e eeuw woedde er in Frankrijk een gewelddadige burgeroorlog, waarin zowel kerk en staat als Hugenoten en katholieken verwikkeld waren. In 1572 probeerden de katholieken de strijd te beslechten met een massale moordpartij op de Hugenoten en hun leiders. Bij deze massaslachting kwamen naar schatting minstens 10.000 Hugenoten om. Dit bloedbad staat bekend als de Bartholomeüsnacht (ook als de Parijse bloedbruiloft).23 Dit alles vond plaats in een samenleving die nadrukkelijk het stempel droeg van het (pauselijke) katholieke geloof. 21 Respectievelijk Matteüs 24.13 en Openbaring 22.7 22 https://nl.wikipedia.org/wiki/Bloedbad_van_B%C3%A9ziers 23 https://nl.wikipedia.org/wiki/Hugenoten#:~:tex 4. Protestanten: Lutheranen en Calvinisten. Ook deze protestantse richtingen werden door de rooms katholieke kerk als ketters beschouwd. Hun vervolging vond echter niet direct plaats door de Inquisitie zoals in de middeleeuwen toen vervolging voornamelijk gericht was op ketterij binnen de katholieke kerk. De vervolging van de protestanten kwam vooral voort uit de wens van de keizers en vorsten die de (godsdienstige) eenheid van hun rijk wilden bewaren. Uiteraard speelden de belangen van de rooms-katholieke kerk daarin ook een belangrijke rol. Protestanten werden vervolgd door zowel katholieke politieke heersers als door katholieke kerkelijke autoriteiten. Het was een veelomvattende strijd tussen de rooms-katholieke kerk en de protestantse bewegingen, een strijd die gepaard ging met veel lijden en bloedvergieten. Of deze vervolgingen nu door het pausdom plaatsvonden of deels politiek gekleurd waren, talrijke protestantse gelovigen moesten hun trouw aan het Woord van God met hun leven bekopen. Hoe men het ook wendt of keert, het pausdom was steeds direct of indirect betrokken bij het bestrijden van ‘ketterij’, hetzij als initiërend óf als sanctionerend instituut. Aantallen slachtoffers Bij de meeste gevallen hierboven hebben we een aantal slachtoffers vermeld. Wie echter diverse historische bronnen hierover raadpleegt, zal al spoedig kunnen vaststellen dat die aantallen aanzienlijk van elkaar kunnen verschillen, al naar gelang we een neutrale, protestantse of katholieke bron raadplegen. Slachtoffer-gerelateerde bronnen (protestantse) zullen ongetwijfeld hogere aantallen menen te moeten vaststellen dan dader-gerelateerde bronnen (katholieke). Toch kan het geen twijfel lijden dat het aantal slachtoffers zéér hoog was. We zijn namelijk voor het vaststellen van de aantallen niet afhankelijk van wetenschappelijk onderzoek, maar beschikken daarvoor over een absoluut betrouwbare Bron. In de Openbaring lezen we: “Ik zag dat de vrouw dronken was van het bloed van de heiligen en het bloed van hen die van Jezus hadden getuigd” (17.6). Geen wonder dat Johannes zo ontzet was toen hij in dit visioen getuige was van deze vrouw en haar talrijke wandaden. Zij was immers ‘de grote hoer geworden, en daarmee het symbool van de afvallig kerk. Aangezien de Schrift zelf middels deze vorm van beeldspraak getuigt van een gróót aantal slachtoffers, moge het duidelijk zijn dat daarmee alle verdere discussie over hogere of lagere aantallen zinloos en overbodig is. Eindverantwoordelijkheid Katholieke bronnen benadrukken vaak het onderscheid tussen de kerkelijke rechtbanken (de inquisities) en de wereldlijke overheden. De inquisities zouden dan alleen ondervraging doen en daarbij trachten de ketter tot berouw te bewegen, indien nodig vonnis over hem te vellen en hem pas dan overleveren aan de wereldlijke overheid. Die voerde dan de opgelegde straffen uit (gevangenis, lijfstraffen, doodstraffen). Deze voorstelling van zaken suggereert dat de kerk met de feitelijke martelingen en executies niets te maken had, maar dat dit het werk van de staat was. Maar daarmee is geen waarheidsgetrouw beeld gegeven. Het mag juridisch dan wel correct klinken, maar het is geen terechte weergave van de praktijk. Kerk en staat waren in wezen niet van elkaar te scheiden. De wereldlijke overheid bestond immers uit katholieke gelovigen: het waren katholieke vorsten, magistraten en soldaten die deze straffen uitvoerden. De kerk maakte hierbij ook gebruik van het feit dat de katholieke overheid ketterij beschouwde als een misdaad tegen de openbare orde, en als zodanig als een bedreiging vormde voor de maatschappelijk en sociale samenhang. De gevolgde procedure diende ertoe om ‘het ware katholieke geloof’ in stand te houden en de eenheid van het rijk te waarborgen. Overigens handelde de staat ook niet zelfstandig of onafhankelijk. Zij was verplicht de vonnissen te voltrekken. Bij gevolg stonden individuele overheidsdienaren zelf ook onder druk. Zouden zij geweigerd hebben de straffen uit te voeren, dan hadden ze zelf verdacht kunnen worden van sympathie met ketterij - met alle gevolgen van dien. Bovendien, zouden zij geweigerd hebben martelingen en executies tegen de wil van de kerkelijke autoriteiten uit te voeren, dan zouden er ongetwijfeld verslagen moeten zijn van kerkelijke disciplinaire maatregelen tegen deze ambtenaren, in het ernstigste geval zelfs hun excommunicatie. Vooralsnog lijkt daarvan geen sprake te zijn. Conclusie. Letterlijk ‘bloedvergieten’ was voor de Inquisitie verboden. Maar had het pauselijke Rome geen Inquisitie ingesteld, dan zou er geen veroordeling van ketters hebben plaatsgevonden. De kerk bepaalde wie een ketter was en droeg hem vervolgens over aan de staat. Die was de aangewezen instantie om het vonnis te voltrekken. De staat was daardoor weliswaar medeplichtig, maar aangezien zowel alle overheidsinstanties als overheidsdienaren katholiek waren, berustte de eindverantwoordelijkheid dus bij de katholieke kerk. Dat is de enige logische conclusie die we hier kunnen trekken. Bovendien wordt deze conclusie ook bevestigd in Openbaring 17.1-6. Daar wordt de vervolgende macht geïdentificeerd als “het grote Babylon, moeder van alle hoeren”. Zowel de geschiedkundige feiten als dit getuigenis van de Schrift bevestigen dat de eindverantwoordelijkheid voor de slachtingen onder “de heiligen” ligt bij de symbolische hoer, ofwel de katholieke kerk zoals die destijds functioneerde onder de verantwoordelijkheid, het toezicht en de goedkeuring van het middeleeuwse pausdom. Samenvatting De Schrift voorspelde dat “het beest uit de zee” uit Openbaring 13 de gelovigen zou vervolgen en overwinnen tijdens de periode van “1260 dagen”. Op grond van redelijke argumenten hebben we aangetoond dat dit profetische dagen zijn en moeten worden geïnterpreteerd als 1260 kalenderjaren. Uit de vergelijking tussen een aantal historicistische interpretaties blijkt dat de gegevens uit Openbaring 13 het beste overeenkomen met historische periode van 538-1798. De nauwe band die tussen kerk en staat was ontstaan, leidde ertoe dat de kerk tijdens deze periode moreel zó diep was gezonken dat zij medegelovigen met een afwijkende mening (‘ketters’) meedogenloos vervolgde, liet martelen en vaak een gruwelijke dood deed sterven. Deze afvallig geworden kerk is in de Bijbelse symbolische terminologie “het grote Babylon, moeder van alle hoeren” (17.5). Vanuit historisch oogpunt gezien is zij het sterk verwereldlijkte, afvallig geworden middeleeuwse pausdom. Dit instituut stelde de Inquisitie in om ketters te identificeren en wie in zijn dwalingen volhardde, werd aan de overheid overgeleverd. Die stond onder morele druk van de kerk om ‘passende middelen’ aan te wenden om deze ketterij uit te roeien. Daarbij werden gewoonlijk martelingen toegepast om alsnog een bekentenis af te dwingen, maar in talloze gevallen eindigden de strafprocessen in een wrede dood. Dit alles vond plaats met medeweten en openlijke of stilzwijgende goedkeuring van de kerkelijke autoriteiten. De kerk gaf weliswaar niet letterlijk het bevel tot verbranden of ophangen, maar ze legitimeerde de wereldlijke overheid die dit deed. De kerk zette de procedure in gang en bepaalde het einddoel ervan. Dit maakt het middeleeuwse pausdom de eindverantwoordelijke voor het bloed van “de heiligen” uit Openbaring 13 dat zo rijkelijk heeft gevloeid dat de Schrift zelfs getuigt dat zij er “dronken” van was. Tot slot: onderscheid tussen individu en instituut We hebben nu het derde karakteristieke kenmerk van het pausdom besproken. Op dit punt is het echter ook een kwestie van ‘fairheid’ ten opzichte van individuele katholieke gelovigen dat we nog eens wijzen op het fundamentele onderscheid dat we in Hoofdstuk XVII hebben gemaakt tussen ‘instituut en individu’. Het is boven alle twijfel verheven dat het middeleeuwse pausdom als instituut verantwoordelijk is voor de grootspraak en godslastering (kenmerk 1), het veranderen van Gods rustdag (kenmerk 2) en de vreselijk slachtingen die het middels de Inquisitie onder “de heiligen” heeft aangericht (kenmerk 3). Maar daarvoor mogen op geen enkele wijze individuele katholieke gelovigen uit vroegere tijden noch van deze tijd verantwoordelijk worden gehouden, tenzij ze er openlijke of stilzwijgend mee instemmen. Er waren destijds - evenals nu - ongetwijfeld talloze individuele gelovigen die al deze kenmerken van het middeleeuwse pausdom ten zeerste veroordeelden. Evenmin mag het hedendaagse pausdom verantwoordelijk worden geacht voor de wandaden die tijdens de 1260 jaren zijn gepleegd, voorop gesteld dat het daarvan duidelijk en overtuigend afstand neemt. Maar volgens Openbaring 13 is er bij de toekomstige vervolging door ‘het beest uit de aarde’ óók voor ‘het beest uit de zee’ (het pausdom) nog een belangrijke rol weggelegd. Het is te hopen dat we ook dán erop kunnen vertrouwen dat talrijke rooms-katholieke gelovigen uit alle religieuze rangen en standen zich nadrukkelijk daarvan zullen distantiëren. Nu de drie karakteristieke kenmerken van het pausdom ruime aandacht hebben gekregen, is het tijd ons te gaan verdiepen in de wijze waarop het herstel van ‘de dodelijke wonde’ uit 1798 tot stand komt. Dat onderwerp zal in het volgende hoofdstuk aan de orde komen.


1Vergelijk de overeenkomstige passages uit Daniël 7.8, 7.11, en 7.20—25.

2Sulpicius Severus, Chronica II, p.50-51

3Lukas 14.23 (HSV): “Compelle intrare” (brief 93 aan Vincentius).

4Er zijn drie manieren waar op deze periode in Openbaring 12 en 13 wordt aangeduid: a) “1260 dagen” (12.6); b) “een tijd, twee tijden en een halve tijd” (12.14) en c) “tweeënveertig maanden” (13.5). NB: in Bijbelse tijden was: ‘een tijd = een jaar’ en ‘een maand = 30 dagen’. Daaruit volgt dat de symbolische 3½ jaar gelijk zijn aan 42 maanden van elk 30 dagen ofwel 1260 dagen totaal, die dan 1260 letterlijke kalenderjaren voorstellen

5Zie Hoofdstukken XVII en XVIII

6Voor een uitgebreid schematisch chronologisch overzicht van de 1260 dagen/jaren: zie Froom Vol. I p.458-459 (Kerkvaders t/m 13e eeuw); Vol. II p.156-157, p.530-531 (14 eeuw t/m Reformatie); Vol. III p.252-253, p.744 745 (17 t/m 19e eeuw) https://en.wikipedia.org/wiki/Day year_principle#:~:text=The%20day%2Dyear%20principle%20or,the%20Prophecy%20of%20Seventy%20Weeks

7Numeri 14.34 en Ezechiël 4.6

8Betekenis: De waarheid van iets moet worden beoordeeld op basis van directe ervaring ermee – of op basis van de resultaten ervan.

9Zie voetnoot 6 hierboven

Adventkerk Zeeland
Share by: